Werkwijze van de Divisie Fokbegeleiding van de W.K.Hirschfeld Stichting (WKHS)
Drs. G.J. Ubbink, Secretaris van de Divisie
Fokbegeleiding van de W.K.Hirschfeld Stichting.
Medewerker Vakgroep
Geneeskunde voor Gezelschapsdieren
In de Divisie zijn deskundigen samengebracht, die vanuit verschillende invalshoeken de bestaande problemen in de kynologie kunnen beoordelen en mogelijk kunnen samenvoegen tot concrete oplossingen. Hiertoe zijn experts vanuit de secties vertegenwoordigd om de haken en ogen aan het vaststellen van de verschillende erfelijke ziekten bij dieren te beoordelen. Gegevens die van enorm belang zijn voor de erfelijkheidsdeskundigen bij de beoordeling van de stand van zaken voor de verschillende rassen. De Divisie heeft een adviserende taak voor rasverenigingen bij concrete vraagstellingen, en haar bestuur voor de algemene beleidszaken en grote onderzoeksprojecten.
De problemen waarmee de Divisie wordt geconfronteerd
kunnen van velerlei aard zijn.
- Enerzijds zijn er vraagstukken die vanuit de
kynologie aan de stichting worden voorgelegd.
- Anderzijds heeft de Divisie
de taak de wetenschappelijke ontwikkelingen in de diergeneeskunde en het
erfelijkheidsonderzoek te volgen, uit te dragen en daar waar mogelijk toe te
passen in de Nederlandse kynologie.
Vanuit de rasverenigingen wordt regelmatig advies
gevraagd, met betrekking tot specifieke ziekten of afwijkingen, die frequent
lijken voor te komen bij het betreffende ras. De eenvoudige vraag is
meestentijds:
'Is deze ziekte erfelijk. Zo ja ? Hoe bestrijden wij deze zo
effectief mogelijk'.
Hoewel de vraag eenvoudig is en zeer terecht wordt
gesteld, is het antwoord vaak helaas niet zo eenvoudig. Erfelijkheid is vaak
geen kwestie van aan- of afwezigheid. Erfelijkheid, de invloed van genen is
tijdens het leven altijd aanwezig. De vraag is eerder: 'Hoe groot is die
invloed'
Prof. Bouw heeft reeds aangegeven dat vele
ziektebeelden weliswaar ten dele op erfelijkheid berusten. maar dal het risico
voor de nakomelingen niet eenvoudig in te schatten is.
- Soms bepalen vele
genen gezamenlijk het ziekterisico. door de invloed van enkele belangrijke genen
(de Majors) en vele andere (de Minors of rest-genotype) Soms wordt het risico
volledig bepaald door één gen.
- Soms hebben omgevingsfactoren veel invloed
op de kans dat een dier daadwerkelijk ziek wordt (lage penetrantie); Soms is er
weinig invloed en zullen de erfelijke kwaliteiten van een dier met meer
zekerheid af te leiden zijn (hoge penetrantie).
Er zijn binnen de kynologie
een aantal ziektebeelden, waarvan wij met zekerheid kunnen stellen dat één gen
verantwoordelijk is voor het ontstaan van ziekte. Dit is in zekere zin jammer
omdat de ziekterisico's voor de andere erfelijke ziekten voor de volgende
generaties binnen het ras niet eenvoudig voorspeld kunnen worden volgens de
Wetten van Mendel. Zodra de penetrantie niet 100% is, en een aantal genen (soms
zelfs maar heel weinig) en een aantal omgevingslectoren van invloed zijn. lijkt
de ziekte al snel volstrekt onvoorspelbaar. Zeker binnen kleine verwante groepen
in het ras.
Grotere verschillen, en daardoor meer duidelijkheid
kunnen we ontlenen. wanneer we niet de "fokwaarde' van dieren binnen één groep
vergelijken. maar verschillende groepen onderling vergelijken. Een dier is
genetisch slechter naarmate:
- Er meer dieren. die genetisch een grote
gelijkenis met hem/haar hebben ziek zijn.
- De verwantschap, de genetische
overeenkomst met de zieken groter is.
De selectiedruk in de ontwikkeling van honderassen
is dermate sterk dat slechts een fractie van de aanwezige dieren een genetische
bijdrage zullen leveren (en hebben geleverd) aan de huidige dieren. Per
generatie bestaat deze fractie hoofdzakelijk uit één of een klein aantal sterk
verwante (sub)groepjes uit het ras. Een verwantschap die zo hoog wordt dat
dieren naast eenheid in de gewenste (exterieur) eigenschappen, ook een grote
eenheid in hun erfelijke zwakheden gaan vertonen. Voor alle rassen kan gesteld
worden dat de genetische variatie op den duur sterk terug loopt.
Dit zal
resulteren in:
- Steeds minder verschijnende ziektebeelden in het ras
-
Steeds meer dieren die één van de resterende ziekten zullen
ontwikkelen.
Omdat elk ras zijn eigen originele genenbronnen heeft en elk ras zijn eigen specifieke selectie criteria kent zullen de (ook de ziektekundige) gevolgen per ras verschillend zijn. De verschillen tussen de rassen zullen in de tijd steeds groter worden. De rashond gaat steeds opvallender afwijken van 'de gemiddelde hond'.
Wanneer we de eenvoudige vraag: 'ls het erfelijk ?', bezien in het licht van de algemene ontwikkeling ven een ras, bekruipt ons natuurlijk de vraag of de gewraakte afwijking één van de ras-karakteristieken is of zou kunnen worden. Beantwoording van de vraag is voor veel klinische problemen niet direct mogelijk omdat onvoldoende harde feiten beschikbaar zijn op het moment van het stellen van de vraag.
Naast een effectieve bestrijding van het ziektebeeld, is het van belang inzicht te verkrijgen in de gevolgen die de selectie zou kunnen hebben op de andere karakteristieke problemen van het ras. Het bestrijden van de ene ziekte mag niet de verspreiding van een andere wellicht meer-welzijnsbedreigende afwijking tot gevolg hebben.
In eerste instantie is duidelijkheid noodzakelijk
over:
- het aantal dieren dat lijdt aan de afwijking
Hoe hoger het aantal
of hoe groter de fractie zieken, hoe ernstiger de situatie. Maar ook een
relatief laag aantal kan, afhankelijk van de reactie van de fokkers. een
voorbode zijn van naderend onheil.
- de mate waarin erfelijkheid binnen dal
ras verantwoordelijk geacht mag worden een oorzaak te zijn.
Ook al is het
ziektebeeld vergelijkbaar in verschillende rassen, de erfelijke oorzaak kan een
verschillende zijn. Het aantonen van de erfelijke invloed maakt inzicht in de
populatie structuur noodzakelijk:
* de onderlinge verwantschap van de lijders
in de populatie
* de onderlinge verwantschap van alle dieren in de
populatie
- De verspreiding van andere ziektebeelden in de
populatie.
Erfelijke onvolkomenheden zullen niet in alle dieren in gelijke mate aanwezig zijn (variatie in expressie). Ook zullen niet alle dieren met eenzelfde genetische zwakte dezelfde verschijnselen tonen (variatie in penetrantie). Of zij werkelijk ziek zullen worden hangt ten dele af van de omgevingsinvloeden die zij zullen ondergaan. Variatie in penetrantie (hoe vaak wordt een erfelijke zwakte zichtbaar in de populatie) en expressie (hoe ziek zijn de aangetaste dieren) zijn de oorzaak dat de erfelijke achtergronden en systematiek in de verspreiding vaak moeilijk te achterhalen zijn.
Het feit dal een dier ziek is of niet zegt dus iets over de combinatie van zijn genen en zijn leefomgeving. Welke van de twee het meest bijgedragen heeft aan de ontwikkeling van de ziekte is moeilijk te duiden op grond van de levensloop van één dier.
Hoe kan de erfelijke bijdrage dan worden onderkend?
Hier moet gebruik gemaakt worden van het meest karakteristieke verschil tussen
de omgevingsinvloeden en erfelijke invloeden.
- De omgevingsinvloeden zijn
karakteristiek voor het dier zelf en worden niet altijd gedeeld met de ouders en
andere verwanten.
- De erfelijke oorzaken zijn niet karakteristiek voor het
dier zelf. Een groot deel van zijn erfelijke eigenschappen worden gedeeld met de
ouders, broers. zusters en andere verwanten. De genen zijn dus een
karakteristiek van een groep
Indien meerdere individuen van een verwante (sub)groep dezelfde ziekteverschijnselen ontwikkelen, is erfelijkheid waarschijnlijk een aanzienlijke factor geweest. Zeker wanneer blijkt dat (genetisch even verwante) andere groepen de ziekte niet of in mindere mate vertonen.>
Het belang van de fokbasis.
Naast inzicht
in de verwantschappen van de zieke dieren, is het noodzakelijk te onderzoeken of
de overige dieren van het ras veel genetische gelijkenis vertonen. In een ras
waarin veel verschillende familiegroepen bestaan, is een veel grotere kans dat
er dieren te vinden zijn waarvan mag worden aangenomen dat zij geen risico
vererven, dan in een ras waar alle dieren sterk verwant zijn. In de kynologie
wordt de aanwezige mate van genetische variatie meestal uitgedrukt als de
fokbasis. Een brede fokbasis heeft naast genetisch verdachte dieren, ook veel
meer genetisch vrije dieren.
Omdat in de meeste rassen verschillende vormen en niveaus van lijnenteelt reeds decennia uitgevoerd worden. is het moeilijk een juist inzicht te krijgen in de omvang van de fokbasis. Wanneer wij twee willekeurige deren uit een ras met elkaar vergelijken, zullen waarschijnlijk enige voorouders op de stamboom van beide dieren aanwezig zijn. De vraag rijst: Is deze verwantschap hoog en wijst deze op een hoger ziekterisico voor de beide dieren.
Deze vraag kan alleen worden beantwoord door de mate van genetische gelijkenis, verwantschap, van alle dieren van het ras met elkaar te vergelijken. Hiertoe is bij de Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren van de Universiteit van Utrecht een methode ontwikkeld om de mate van verwantschap, de breedte van de fokbasis van bestaande populaties in kaart te brengen.
De fokbasis van het ras kan beschreven worden
als:
- het aantal beschikbare hoog verwante familiegroepen.
- de
onderlinge verwantschap van de bovenstaande groepen.
Hoe groter het aantal familiegroepen en hoe lager de onderlinge verwantschap van deze familiegroepen, hoe groter de selectie ruimte om dieren te selecteren die een zeer lage kans hebben genetisch aangetast te zijn, en dus een risico zijn voor hun nakomelingen
De theoretische uitersten
Populatie
1
Theoretisch is het mogelijk. dat een ras bestaat uit een groot
aantal zeer hoog verwante subgroepen, en zich slechts voortplant door paringen
binnen de eigen groep. De dieren in elk van de groepen worden genetisch steeds
gelijker en hoger ingeteeld. Daarentegen zijn de familiegroepen relatief
onverwant. De genetische verschillen tussen de groepen zijn groot, en worden
zelfs steeds groter in de tijd.
Omdat de groepen nauwelijks verwant zijn, zal
de genetische overeenkomst tussen de groepen klein zijn. De kans dat
verschillende groepen dezelfde 'erfelijke zwakke plekken' zullen bezitten is dan
ook klein. De voorouders waarop ingeteeld wordt zullen voor elke groep andere
zijn. De risico's van inteelt, fokzuiver ziektegenen en de ziekten, zullen dus
ook voor elke groep andere zijn.
Elke groep zal zijn eigen erfelijke
risico's hebben.
Indien het ras getroffen wordt door een 'nieuwe' ziekte
en indien erfelijkheid een aanzienlijke factor is in het ontstaan van deze
ziekte, zullen maar weinig families door de ziekte aangetast worden. Na analyse
van de gegevens zal duidelijk zijn dat:
- (nog) niet zieke (fok)dieren' uit
de zieke families een veel grotere kans hebben nageslacht te vererven dat ook
ziek zal worden, dan anderen.
- De 'niet zieke (fok)dieren' uit de andere
families hebben nagenoeg geen kans het probleem door te geven.
Er is sprake van extremen in de populatie; een aantal zeer risicovolle dieren en vele volledig risico-vrije dieren. De meest effectieve adviezen op basis van een dergelijke populatie structuur en familiaire ziekteverdeling zullen zich toespitsen op een verminderd gebruik dan wel het uitselecteren van de gehele aangetaste familie. (familie selectie)
Populatie 2
In een ander extreem
geval bestaat de populatie uit een klein aantal, hoog verwante groepen. De
dieren behoeven niet per definitie hoog ingeteeld te zijn.
Deze situatie
ontstaat bijvoorbeeld wanneer een onverwant dier plotseling alle
oudercombinaties mag bepalen. Dit is het 'founder-effect'; Een 'zeer superieure
import hond', die in alle bestaande familiegroepen wordt ingekruist. De
bestaande genetische verschillen tussen de lijnen worden in korte tijd sterk
gereduceerd. De nieuwe generatie dieren dragen veel gelijke genen, afkomstig van
de founder (stamvader, -moeder). De dieren zijn de eerste generatie relatief
laag ingeteeld.
Indien een dergelijk ras getroffen wordt door een nieuwe
ziekte en indien erfelijkheid een aanzienlijke factor is in het ontstaan van
deze ziekte, zal het gehele ras, alle familiegroepen meer of minder door de
ziekte aangetast worden. Na analyse van de van de gegevens zal duidelijk zijn
dat:
- (nog) 'niet zieke (fok)dieren' uit specifieke families een grote kans
hebben nageslacht te vererven dat ziek zal worden.
- De 'niet zieke
(fok)dieren' uit andere families ook een aanzienlijke kans hebben het probleem
door te geven.
De verschillen worden steeds kleiner; geen extreem goede en slechte fokdieren meer (als in populatie 1), maar fokdieren die allemaal iets meer of iets minder risicovol zijn.
Populatie 3
Het stadium dat volgt
op dit extreem, is de bovenstaande populatie enige generaties later. Waren de
bovenstaande dieren hoog verwant, maar nog laag ingeteeld, de dieren zijn nu
hoog verwant en hoog ingeteeld. Immers alle beschikbare (fok)dieren bezaten en
bezitten erfelijk materiaal van de founder; Alle denkbare oudercombinaties
betekenen inteelt op hetzelfde dier. De mogelijke inteeltschaden zijn nu niet
meer familie-specifiek (als in populatie 1), maar specifiek voor het gehele
ras.
De ziekte is 'een raskenmerk geworden. Naast de risico's van populatie
3, zijn onafwendbaar de risico's van inteelt op de founder aan het ras
toegevoegd. De goede dan wel catastrofale invloed van een foucner blijkt
doorgaans pas 2-5 generaties later.
Indien een dergelijk ras getroffen wordt
door een 'nieuwe' ziekte en indien erfelijkheid een aanzienlijke factor is in
het ontstaan van deze ziekte, zullen alle familiegroepen meer of minder door de
ziekte aangetast worden. Na analyse van de gegevens zal duidelijk zijn dat:
-
(nog) 'niet zieke (fok)dieren', indien zij worden gepaard om terug te fokken op
de founder, de hoogste risico's op ziekte in hun nageslacht zullen hebben.
De
verschillen blijven helaas klein; geen extreem goede en slechte fokdieren meer
(als in populatie 1), maar fokdieren die allemaal meer of minder risicovol zijn.
De oudercombinatie waarmee inteelt zo veel mogelijk gemeden wordt, wordt
relatief belangrijker dan de individuele dieren.
Omdat de erfelijke verschillen, dus de risico's tussen de dieren klein zijn en moeilijk effectief te schatten zijn, resteert maar één mogelijkheid van selectie. Het uitselecteren van dieren die zelf ziekte verschijnselen tonen. Helaas in de wetenschap dat een aantal van de niet-zieke dieren de ziekte wel degelijk zullen vererven. Een vorm van selectie, die veel minder effectief is dan die toegepast kan worden in populatie 1.
De werkelijkheid
De bovenstaande schetsen
zijn erg extreem, geen van de Nederlandse rassen voldoet geheel aan één van de
bovenstaande beschrijvingen. Maar op alle rassen zijn al deze beschrijvingen in
meer of meerdere mate van toepassing. Het van belang om naast de gegevens van de
zieke dieren, te onderzoeken hoe breed de fokbasis is, om na te gaan of er nog
dieren aanwezig zijn, die genetisch niet aangetast kunnen zijn. De beide
voorbeelden tonen dat ook tussen de rassen enorme verschillen bestaan. Het
eerste ras is genetisch variabel; De kans op voortbestaan als ras is
geloofwaardiger dan bij het tweede voorbeeld.
Om zo objectief mogelijk te kunnen besluiten
1.
Hoe groot de erfelijke invloed is bij een specifieke ziekte,
2 en wat de
gevolgen a.g.v. specifiek beleid op de verspreiding van andere ziekten zouden
kunnen zijn, zijn door de stichting een aantal stappen gezet.
Voorafgaand aan allerhande beleidsmaatregelen is het noodzakelijk. over voldoende gegevens te beschikken om beide vragen te beoordelen. Meestentijds betekent dit dat voor veel rassen eerst een inventarisatie noodzakelijk is om deze gegevens te bemachtigen. Eerst meten en weten, dan handelen.
De stichting heeft hiertoe een enquete ontwikkeld om
i.s.m. de rasvereniging, alle (of een steekproef van) eigenaren van de dieren te
benaderen met de vraag om de problemen van hun dier aan te geven.
Hoewel de
gegevens die op deze wijze vergaard worden natuurlijk het ziekteproces bij de
dieren niet optimaal beschrijven, omdat:
- niet alle eigenaren de naam van de
ziekte van hun dier weten
- de accuratesse van de diagnostische procedures,
tussen de dieren kunnen verschillen
- klinische klachten niet altijd tot een
definitieve diagnose leiden.
I.t.t. keuringen waar enkele dieren op zeer gestandaardiseerde wijze t.a.v. één ziekte worden geclassificeerd, is het grote voordeel dat op deze wijze van veel meer dieren over meerdere ziekten gegevens beschikbaar komen. In dit kader moeten wij ons realiseren dat naar schatting 85% van onze rashonden in bezit is van mensen die niet kynologisch zijn georganiseerd. Ziekte bij een van deze dieren zal lang niet altijd bekend worden bij de rasvereniging. Vele 'gewone' eigenaren ervaren de ziekte van hun dier als een huiselijk drama, zonder te beseffen dat het een symptoom kan zijn van systematische aantasting van het ras. Het ligt niet voor de hand te verwachten dat deze eigenaar beseft hoe belangrijk het is het ziektegeval te melden. Eenmaal benaderd met een enqu?te blijken deze mensen in overgrote meerderheid bereid de ziekte te melden.
Een bijkomend voordeel naast veel meer gegevens over
veel meer ziekten, is het feit dat bij accurate steekproefname een goede
afspiegeling wordt verkregen van alle aanwezige familiegroepen in het
ras.
Het middel wordt optimaal uitgebuit. zodra het wordt toegepast op het
gehele ras.
- Dus ook de honden die in eigendom zijn van niet-leden van de
rasvereniging. Immers de erfelijke zwakheden van bepaalde familiegroepen treden
niet alleen naar buiten wanneer de eigenaar lid is van de vereniging.
- Ook
de dieren die buiten de vereniging zijn gefokt, kunnen interessant zijn. Vaak
betreft dit familiegroepen die minder verwant zijn aan de 'top'-fokkerij binnen
de vereniging. Wellicht zijn hier groepen aanwezig van wie het genetische risico
op bepaalde ziekten nihil kan worden verondersteld.
De verwachte resultaten, m.b.t. de lichamelijke
en mentale gezondheid.
De eerste uitslagen zijn natuurlijk tellingen van
aantallen meldingen.
- welke aandoeningen worden hoe vaak gemeld
- welke
andere problemen ervoer de eigenaar tijdens de opvoeding van de
hond.
Wanneer blijkt dat bij vele dieren eenzelfde beeld
beschreven wordt; is het noodzakelijk na te gaan in hoeverre erfelijkheid tot de
oorzaken gerekend kan worden. Deze analyse spitst zich toe op de vraag:
Hoe
verwant zijn de zieke dieren, binnen de beschikbare fokbasis.
Wanneer vormen van familieselectie een oplossing zouden kunnen brengen, wat zouden de gevolgen zijn van de inzet in de fokkerij van niet-aangetaste familiegroepen. Welke ziekten, problemen lijken hier aanwezig te zijn? Voor de beantwoording van deze vraag zijn de gegevens uit de enqu?te reeds beschikbaar. Op deze wijze kan een redelijk overzicht verkregen worden welke ziekten bij welk ras langzamerhand een ras-specifiek-kenmerk aan het worden zijn.
Op dezelfde wijze is het mogelijk naast, de identificatie van zieke dieren m.b.v. het Nederlands Hondenstamboek (NHSB) de geprefereerde fokdieren te herkennen. Net als de erfelijk zieke dieren, kan het familiaire patroon van de lokdieren inzicht verschaffen in de toekomstverwachting. De ziekten met een hoge frequentie in de geprefereerde groepen, zijn de ziekten van de toekomst. Indien deze trend vroeg genoeg gedetecteerd kan worden, kan het tij het meest effectief gekeerd worden. Familie selectie is op dat moment nog mogelijk. In latere stadia is de verspreiding zover gegaan dat alle dieren min of meer verwant zijn aan zieken zodat slechts de individuele selectie als optie resteert.
De individuele selectie.
Wanneer
effectieve familie selectie onmogelijk is, zonder het hele ras uit te
selecteren, of andere onaanvaardbare ziekten te verspreiden, moeten de dieren
waarvan aangetoond kan worden dat zij tekenen van de aandoening vertonen
uitgesloten worden van de fokkerij. Dit betekent niet dat alle dieren die vrij
zijn van deze tekenen goede fokdieren zijn. De erfelijke belasting van deze
dieren, en dus van hun nakomelingen kunnen vari?ren.
Zolang geen effectievere middelen voorhanden zijn (DNA onderzoek) moeten wij de fokwaarde van een niet-ziek dier schatten aan de hand van de frequentie waarin zijn/haar naaste verwanten ziek zijn. Hiertoe worden sinds jaar en dag door de WKHS keuringen georganiseerd op heupdysplasie en 15 andere aandoeningen in en om het oog. Een tamelijk beperkt scala, bezien in het licht van de grote variatie in erfelijke beelden die bij onze dieren voorkomen. Op korte termijn worden hieraan keuring op Cochleaire Doofheid en Portosysthemische Shunt en de Elleboogdysplasie aan toe gevoegd.
De keuringen
Bij het nut van keuringen
dienen wij te beseffen dat het individuele dier wordt gekeurd, niet zijn
familie. Dat het dier zelf niet ziek is wil niet zeggen dat hij/zij geboren kan
zijn in een familiegroep, die ziek is. De uitslag betreft de aan- of afwezigheid
van een afwijking bij één dier. Wanneer vormen van familieselectie ondoenlijk
zijn, zijn keuringen een redelijk alternatief.
Keuringen zullen altijd tot in de puntjes geprotocolleerd moeten zijn. De uitslag heeft een vergelijkbare waarde wanneer deze altijd op gelijke wijze tot stand gekomen is. Om meer eenheid te brengen in de keuringsprotocollen van de verschillende aandoeningen en daarbij de kwaliteit van de keuring te handhaven zullen een aantal handelingen gestandaardiseerd worden. De identificatie van een dier dat een keuring zal ondergaan, wordt onafhankelijk gemaakt van het type keuring. Er moet een zeer hoge graad van betrouwbaarheid worden nagestreefd; Alleen gecontroleerde identificaties zullen gekwalificeerd worden.
De identificatie
ledere eigenaar van een
rashond kan, ongeacht zijn/haar motivatie, een dier aanbieden voor een keuring.
Deze keuringen worden verricht bij dierenartsen, die door de WKHS geautoriseerd
zijn om deze keuringen uit te voeren. De personalia van deze dierenartsen zullen
regelmatig gepubliceerd worden in de kynologische pers en mailinglijsten aan
rasverenigingen.
Clubblad, Raad en Daad, Hondenwereld en Onze Hond zullen per
onderzoek de adressen vermelden. De eigenaar kan telefonisch een afspraak maken
voor het desbetreffende onderzoek.
Voorafgaand aan het onderzoek zal de
eigenaar de hond moeten identificeren. De wijze van identificatie is
onafhankelijk van het onderzoek. Afhankelijk van de minimale leeftijd, waarop
het onderzoek uitgevoerd kan worden, zal voor elk van de onderzoeken een of
meerdere van de onderstaande mogelijkheden openstaan.
ledere
eigenaar:
- Van elke getatoeëerde en geregistreerde rashond die door zijn
eigenaar wordt aangeboden wordt verlangd dat een kopie van de Stamboom wordt
overhandigd aan de dierenarts. (Dit geldt zowel voor Nederlandse als
buitenlandse honden)
- Indien de hond wel getatoe?erd is, maar nog niet
geregistreerd is in een stamboek (er kan dus geen stamboom getoond worden) kan
het onderzoek alleen uitgevoerd worden, wanneer de eigenaar een kopie van het
tatoeage formulier van het nest waartoe de hond behoort wordt
overlegd.
Fokkers
- Voor fokkers is er de mogelijkheid om voor
enkele specifieke onderzoeken, die op jonge leeftijd kunnen worden uitgevoerd,
volledige nesten aan te bieden.
Zodra de dieren individueel herkenbaar zijn
(= getatoeëerd zijn). Ten tijde van het onderzoek moet aan de dierenarts een
kopie van het tatoeageformulier van de Raad van Beheer (RvB) van het
desbetreffende nest overhandigd worden.
Afhankelijk van het onderzoek kan de eigenaar verwachten direct na de afloop van het onderzoek een certificaat te krijgen of dit met de post thuis te ontvangen. De identiteit van een hond zal worden bevestigd op grond van de naam, de kennelnaam, de tatoeage, en het NHSB-nummer. Indien de identiteit van de hond niet direct bij de RvB bevestigd kan worden, wordt het certificaat toegezonden zodra de procedure bij de RvB is afgerond. Dit geldt in principe voor alle dieren die nog niet definitief in het NHSB zijn opgenomen. Op een geldig certificaat zijn altijd zowel de naam en kennelnaam, het tatoeage- en het stamboeknummer opgenomen.
De openbaarheid
In het algemeen zal voor
nieuwe keuringsprotocollen gelden dat het aan de eigenaar niet meer toegestaan
is om uitslagen aan de rasvereniging te onthouden. De stichting heeft in dit
opzicht besloten dat het rasbelang in alle opzichten prevaleert boven het
individuele belang. Echter rasverenigingen, of individuele leden kunnen ook niet
bij voorbaat over alle uitslagen van keuringen beschikken. De Stichting zal
uitslagen aan de rasvereniging openbaar maken, wanneer de algemene
ledenvergadering van de vereniging een bestrijdingsplan aangenomen heeft. Tevens
moet dit bestrijdingsplan door de Divisie Fokbegeleiding positief beoordeeld
zijn. Bij de medewerkende dierenartsen zullen overzichten aanwezig zijn, waarop
aangegeven is welke rasverenigingen dit betreft, zodat ieder voorafgaand aan het
onderzoek zich op de hoogte kan stellen.
De automatisering
Om de bovenstaande
procedures mogelijk te maken is de afgelopen tijd, binnen de stichting hard
gewerkt aan de automatisering van de gehele procesgang. De computer zal ook hier
de boekenkasten vol ordners moeten vervangen. De controle van keuringsgegevens,
de certificering, de rapportage aan rasverenigingen en de grootste bottleneck de
financi?le afwikkeling van beoordelings- en administratiekosten zullen versneld
worden afgehandeld.
Naast de automatisering van het keuringsverloop heeft de stichting een tweede automatiseringsproject gestart. Met terugwerkende kracht worden de gegevens uit het NHSB vanuit de originele stamboeken overgebracht naar geautomatiseerde bestanden. Het doel is met name alle data beschikbaar te maken voor stamboom- en populatie-structuur-analyses. Al met al moet er i.s.m. de rasverenigingen een netwerk van gegevensbestanden opgebouwd worden. Deze gegevens zullen later de basis zijn van centraal uitgevoerde analyses. Op deze wijze kan de Divisie Fokbegeleiding in overleg met de rasvereniging het naar verwachting meest effectieve selectiesysteem bepalen.