Bij de Vereniging van Duitse Herdershonden (VDH) hebben we de opleiding tot verdedigingshond (VH). Het is een opleiding die bestaat uit drie gedeelten namelijk: speuren, appèl (gehoorzaamheidsoefeningen) en verdedigings oefeningen (pakwerk).
Volgens vast omschreven examen reglementen kan een geleider met zijn hond, na een gedegen trainingsperiode hieraan deelnemen. En het begeerde VH certificaat proberen te bemachtigen.
Het woord “Verdedigen” is prominent aanwezig in de naam die dit examen heeft bij de VDH. Rede om eens stil te staan, bij de essentie van dit woord en de betekenis ervan.
Verdedigen is het beschermen door de hond van zichzelf en zijn roedelgenoten tijdens een bedreiging van buitenaf.
Ook al is de aanvaller groter en sterker, een moedige zelfverzekerde hond zal beschermen.
De hond schakelt zijn agressie uitsluitend in ten gunste van zijn eigen voortbestaan het jagen op een prooi, het verdedigen van zijn nakomelingen of zijn groep (roedel). Kortom uit zelfbehoud of uit soortbehoud. Er wordt in de natuur, zuinig omgesprongen met agressie en aanval. Het is wordt achter de hand gehouden, tot een situatie (honger, ernstige bedreiging) toepassing ervan onvermijdelijk maakt.
Bij het eerder genoemde VH examen komt het verdedigen om de hoek kijken bij afdeling C, het pakwerk. Beter gezegd in dit onderdeel zou de verdedigingsdrift van de hond moeten blijken.
Dat er bij een aantal (zwakkere) honden in de moderne sportafrichting nauwelijks sprake is van verdedigen als omschreven hierboven, zal ik proberen uit te leggen.
Verdediging in de zin van de omschrijving die ik gaf, zou
betekenen dat de hond op de training wordt geleerd zichzelf en zijn
roedelgenoot (de baas/geleider) te verdediging. Zij worden immers bedreigt door
een aanvaller (pakwerker). Hier komt ook de aanwezige moed van de hond naar
voren. Hij moet een in feite sterkere tegenstander bevechten, zonder duidelijke
reden, maar puur op grond van de bedreigende en agressieve handelingen en
gedrag van de aanvaller, (met als risico
dat hij de strijd zou kunnen verliezen), maar dat is geen argument, de hond
handelt vanuit zijn instincten en deze geven hem in: verdedigen ondanks
alles.
Wat we echter gadeslaan is, dat bij de training in veel gevallen te weinig gebruik wordt gemaakt van de (natuurlijke) verdedigingsdrift, maar overwegend van de buitdrift. Er wordt een spel gespeeld met een persoon (pakwerker) die als buit de bijtmouw heeft.
De hond is geleerd bij de opbouw van deze oefeningen, de mouw te verkrijgen, vervolgens te winnen, en zijn buitdrift is bevredigt. Bij de hond is de verdedigingsdrift in dit stadium niet aangesproken. Op zich niets mis mee, bij een jonge hond, maar het gevaar ligt om de hoek om te lang hoofdzakelijk op de buitdrift te blijven trainen. Het zou niet zo moeten zijn dat een volwassen, getrainde hond als hij de mouw eenmaal heeft, en hij er trots mee loopt te pronken , terwijl zijn baas verderop op dat moment gewoon in elkaar geslagen zou worden door de pakwerker(zonder mouw).
Er geen enkele reactie komt van de hond, zijn aangeboren verdedigingsdrift is te weinig aangesproken (dat is hem immers niet geleerd). Dus de kans is zeer groot, mede omdat hij bezig is met andere dingen (de buit) dat hem dit absoluut niet interesseert.
Hij is nooit geleerd zichzelf of de baas te verdedigen, en een natuurlijke sociale agressie richting agressor te laten zien. Hem is (het spel) geleerd van de bijtmouw te bemachtigen (de buit).
Paradox is echter dat de twee genoemde driften, buit en verdedigingsdrift hoe dan ook in elke trainingsmethodiek betreffende het pakwerk voorkomen. En er een wisselspel dient plaats te vinden tussen de ene en de andere drift. Overwegend de beste resultaten worden behaald met een training die als het ware schakelt tussen de twee driften (ik kom hier nog op terug).
Anders gezegd er kan geen hond pakwerk geleerd worden enkel op buitdrift of enkel op verdedigingsdrift. Er is echter wel een behoorlijk verschil met welke basis oftewel vanuit welke drift de opleiding wordt opgebouwd.
Ook is er groot verschil in hoeverre verdedigingsdrift uiteindelijk wordt ingeschakeld na het beginstadium, en bij het ouder worden van de hond in opleiding.
Vermijdgedrag wordt
zichtbaar als de hond geprikkeld wordt in zijn verdedigingsdrift maar de hond
niet, of niet meer de overtuiging heeft als winnaar uit de ontstane situatie te
kunnen komen. Het is het verdedigen van het lichaam d.m.v. het vermijden en in
een extreem geval d.m.v. vluchten en als dat niet kan d.m.v. angstagressie.
(noodgedwongen aanval naar voren)
De drempel waarop de hond
besluit, dit wordt me te gek (de dreiging) ik moet wegwezen, is per hond
verschillend, karakter en leeftijd (rijpheid) van de hond spelen een grote rol.
Ga je door deze grens is er veel schade aangericht voor het verdere verloop van
de training.
Vermijdgedrag is o.a. al
te herkennen aan zeer kleine terugtrekkende en of ontwijkende bewegingen van
de hond. Ook de manier van blaffen geeft een indicatie in welke gemoedstoestand
de hond zich bevind. Gaan snuffelen op de grond of desinteresse kan duiden op
aanwezigheid van vermijdgedrag. Als gedurende het bijtwerk de hond onrustig
wordt in zijn bijt duidt dit aan dat men de grenzen van de belastbaarheid al overschreden
heeft.
Het grote gevaar bij het
trainen over de verdedigingsdrift blijft dus bestaan dat ook vermijdgedrag
opgeroepen wordt. Tevens is het zo dat het gevaar bestaat de hond op den duur
totaal "afbrand", indien men alleen maar gebruik blijft maken van de
verdedigingsdrift. Om deze redenen behoort men bij aanvang van de opbouw
van het manwerk alleen maar gebruik te maken van de buitdrift van de
hond.
Het werken met de
buitdrift heeft belangrijke voordelen.
-Er wordt geen vermijdgedrag op
geroepen.
-Men heeft de mogelijkheid de hond een
goede beet aan te leren.
-De aanvalsoefening (stellen) wordt door
de buitdrift "feller/explosiever" uitgevoerd.
-Men kan de hond zijn buitdrift bevredigen
door bijvoorbeeld de mouw te laten
winnen of de mouw "dood" te houden.
Dit heeft dan tot gevolg dat de hond meer
zelfvertrouwen krijgt.
Echter heeft het alleen
maar blijven werken met de buitdrift dus ook een nadeel. Er treedt
vermoeidheid op, d.w.z. de drift wordt minder intensief. Als de hond het programma
helemaal aangeleerd zou worden met alleen maar gebruikmaking van de buitdrift
dan kan de hond op den duur te passief worden en is er geen vechtdrift te
creëren.
Buitdrift is een door zelfbehoud gedreven neiging (drift) van het hongerige dier om een prooi op te sporen, in te halen te bemachtigen en te verorberen. Een dergelijke situatie komt bij onze hond natuurlijk niet meer voor. Wij zorgen immers voor zijn natje en droogje, daar hoeft hij niet over in te zitten.
De buitdrift is echter wel in de hond aanwezig, de moderne variant waarbij deze drift aangewakkerd kan worden. Komt tot uiting in tal van spelletjes waarbij enkele van deze oerdriften ook bevredigt worden. Het weggooien van een stok of een bal, het spelen, rukken en trekken met een speelgoedje, waarbij we het hem ook laten winnen.
Dolle pret voor de hond, en op zich niks mis mee.
Deze moderne variant wordt vertaald naar het pakwerk, zoals gezegd met als buit de mouw, en als tegenspeler de (vluchtende) pakwerker. Hij loopt ermee weg, de hond mag hem inhalen, overmeesteren en als beloning krijgt hij de beloning(de mouw). De honden zijn mouwgericht, niet mangericht.
Bij trainen over buitdrift, wordt uitdrukkelijk de verdedigingsdrift niet aangesproken. De theorie hierachter is: Bij achtervolging en het behalen van de buit wordt de hond nimmer voor de keus gesteld eventueel iets anders te doen dan achtervolgen. Bij een directe bedreiging van de hond, heeft de hond de keus tussen verdedigen of vluchten. Bij buitdrift gaat men ervan uit dat eerst de hond zelfvertrouwen moet krijgen, later wordt de verdedigingsdrift in bescheiden mate aangesproken.
De hond wordt geleerd bij het jutten, dat de pakwerker een bange prooi is die hij makkelijk kan overmeesteren. De hond leert dat hij altijd wint of kan winnen van de pakwerker.
De pakwerker heeft iets (zak, bijtrolletje, mouw) wat de hond wil verkrijgen, eventueel door een (beperkt) gevecht. Het eerste jutten moet niet iets hebben van een pakwerker die met veel machtsvertoon en dreiging op de hond ingaat. Nee, de pakwerker gaat meer op een slinkse en achterbakse manier aan de hond voorbij. De pakwerker gaat met het voorwerp vlak bij de hond bewegingen maken over de grond, en als de jonge hond het “ding” wil pakken, is hij braaf. Bij reactie van de hond, gaat de pakwerker met veel actie op de vlucht.
De hond gesterkt door zijn baas, zal steeds meer de drang krijgen om ook te willen bijten (verkrijgen) in het voorwerp dat de pakwerker heeft. Na een aantal van deze sessies, afhankelijk van de vorderingen van de hond mag hij ook uiteindelijk het rolletje of de mouw pakken (uit handen van de pakwerker).
De pakwerker brengt de buit snel op buik/borsthoogte ,de buit wordt losgelaten en de hond wint en paradeert ermee over het veld. Vanuit deze basis, wordt later de buit (de mouw) aan de pakwerker gekoppeld, door hem om de arm te doen, en bouwt de training zich verder uit. De hond blijft echter steeds winnen.
Naarmate de hond vordert in het proces, (steeds zekerder, hij wint immers altijd) neemt de dreiging van de pakwerker ook toe. Vanuit het op buitdrift aangeleerde pakwerk, gaat de pakwerker nu gedoseerd proberen in hoeverre de hond ook verdedigingsdrift heeft, door de hond direct te bedreigen. Blijkt de hond hier nog moeite mee te hebben (onzeker) wordt weer gelijk teruggeschakeld op buitdrift, vluchtende pakwerker, laten winnen enz.
Deze methode is voor veel honden geschikt omdat het “buitdriftspel” de meeste wel ligt. En er kan per hond verder gewerkt worden door de dreiging en belasting op te voeren.
Een sterke karakterhond zal ook met deze training later in de opleiding, een agressie, en vechtlust ontwikkelen zodat er van een gevecht sprake is. Ik keur het ook absoluut niet af, alleen wil ik de basisverschillen duidelijk maken tussen buitdrift of werken over verdedigingsdrift, zodat ieder zijn eigen mening kan vormen.
Als we bij het pakwerk de verdedigingsdrift aanspreken, om
als basis de oefeningen mee te beginnen, wil niet zeggen dat we later ook de
buitdrift bij de oefeningen niet gebruiken. Dus in feite hebben we alle twee de
driften nodig, ongeacht de basis opbouw. Alleen is er een fundamenteel
verschil tussen de aanleiding van de hond
waarom hij bijt (de allereerste beet)
Het gaat om het principe vanuit welke drift (aanleiding) wordt de hond geleerd te bijten.
Bij een opbouw vanuit de verdediging zal ook altijd de basis zijn dat de geleider wordt aangevallen (bedreigt) door een vreemde (pakwerker). Hier is gelijk het grootste verschil met de buitdrift methode als boven omschreven. Er vindt een aanval plaats op de roedelgenoot (de baas), en nu wordt de verdedigingsdrift van de hond getest. Oftewel reageert hij, en hoe reageert hij. De hond reageert dus niet op een voorwerp (mouw,jutrolletje, zak), maar puur op de persoon die zijn baas aanvalt. En er wordt een beroep gedaan op zijn natuurlijke (verdedigings) agressie.
Een uitgebreide uitleg van deze beginoefeningen vindt je hier omschreven:
De pakwerker begeeft zich vantevoren zonder mouw in een verstek op het veld (niet het latere aanblafverstek).
De geleider betreed het veld, zonder de hond onder appèl te
zetten. De hond wordt aan een jutpaal vastgezet, of in handen gegeven van een
bekend persoon. De geleider loopt van de hond af richting verstek. De pakwerker
(zonder mouw) verschijnt, uit het verstek, de geleider raakt in gevecht
met de pakwerker (op een meter of 5 van de hond) en jaagt de pakwerker op overtuigende manier terug in het verstek.
Als de hond reeds rijp genoeg is, zal hij reageren met b.v. blaffen en lijn
spanning opbouwen. Bij opwinding en zich geen raad weten met de situatie, de
sessie enkele malen voorzichtig herhalen, veranderd deze reactie niet, hond in
de ijskast zetten en later als hij wat ouder is opnieuw proberen.
Als de reactie wel positief is, sessie ook enkele malen herhalen en afwachten
of de hond dus danige spanning opbouwt dat hij zwaar trekt richting
agressor(pakwerker).
Op de reactie van de hond moet door de pakwerker gereageerd worden door onmiddellijk te vluchten richting verstek
en daar duidelijk angst te vertonen voor de hond (vluchtend te vertrekken) deze
handeling duurt maar een 10 tal seconden.
Als de hond de pakwerker verjaagt heeft loopt de geleider richting zijn hond en
prijst deze. (Opmerking: De pakwerker mag de hond absoluut niet benaderen)
Als na enige trainingsdagen de hond bij aanvang al reeds
luidkeels het veld betreedt, weet hij wat er van hem verwacht word.
Inmiddels moet de hond gegroeid zijn om enige bijtbewegingen te maken richting
pakwerker. We gaan nu de hond dichter bij de pakwerker brengen, en hij moet de
bedreiging op de geleider tot op 10 cm kunnen benaderen en op deze afstand
volledige agressie vertonen en echt willen bijten.
Het punt is bereikt dat de hond mag bijten, de pakwerker draagt nu een mouw (niet te opzichtig voor de hond) en er vindt weer een worsteling plaats. Waarbij de hond uit strakke lijn mag inbijten, de hond wint de mouw, en de pakwerker vlucht weg het verstek in.
Bij de hond is nu de verhouding verdedigingsdrift/buitdrift waarneembaar, hierop kunnen we desgewenst de oefeningen aanpassen. De geleider beloont de hond en neemt zonodig, zonder enige dwang, de bijtmouw af. De pakwerker komt nogmaals tevoorschijn en vecht weer met de geleider, echter nu weer zonder bijtmouw (deze dient buiten bereik van de hond te zijn). Na een kort gevecht vlucht de pakwerker weer in de schuilplaats, wordt de hond beloond en weggenomen.
Wanneer de buitdrift te gering is, wordt de hond als hij de bijtmouw gewonnen heeft, gemotiveerd om de mouw vast te blijven houden en te dragen.
Wanneer de verdedigingsdrift te gering is wordt de hond als hij de bijtmouw gewonnen heeft onmiddellijk doch rustig afgenomen en wordt hij opnieuw door de pakwerker geplaagd zonder dat er een bijtmouw bij gebruikt wordt. Indien de oefeningen tot zover geen problemen geven wordt vervolgens tijdens de bijthandelingen de lijn spanning geleidelijk verminderd en uiteindelijk wordt de lijn losgelaten. Aan het einde van het gevecht neemt de geleider zijn hond vast en wordt onder lijnspanning de mouw gewonnen.
Het gaat mij er in dit artikel om je het verschil te laten zien, met de gangbare buitdrift methode als basis voor het toekomstige pakwerk.
De wisselwerking tussen buit
en verdedigingsdrift.
-Het is de aanleg van
de jonge hond die bepaald wat er gebeurt gedurende de opbouw van het manwerk. Deze aanleg is o.a. afhankelijk
van de mengverhouding buitdrift : verdedigingsdrift en deze mengverhouding is
voor elke hond weer anders. Daarom zal elke hond zijn eigen specifieke opbouw
moeten hebben.
-Hierbij moet een goed ontwikkelde
driftopbouw de basis vormen, de fundering zijn, waarop het aanleren of het
aangeleerde programma op rust. Is deze fundering zwak dan stort het resultaat
uiteindelijk in.
Ontwikkelen is dus een
must, maar ook de genetische aanwezigheid van de noodzakelijke driften is een
must. Want iets wat genetisch niet aanwezig is kan niet ontwikkeld worden.
De hond moet (na verloop
van tijd) geleerd worden dat zijn inzet van verdedigingsgedrag zijn uitweg
vindt in een bevrediging van zijn buitdrift, m.a.w. er moet kanalisering van
verdedigingsgedrag in buitdrift plaatsvinden. De vechtdrift heeft dan zijn
vorming gekregen De hond ziet de pakwerker dan niet meer als de motor achter
en buit spelletje voor een mouw, maar de pakwerker persoonlijk is een
vechtpartner geworden. Uiteraard moet gedoseerd en in verschillende
opbouwfasen naar toe gewerkt worden.
Als de hond eraan toe is
in de opbouw moet de hond te leren om te gaan met contrareacties van de
pakwerker. (dreiging, belasting, tegenwerking)
Deze contrareactie van de
pakwerker zal gericht zijn op de gemaakte buit van de hond. De hond zit dus in
zijn buitdrift omdat hij buit heeft gemaakt, door de contrareactie van de
pakwerker moet hij omschakelen naar zijn verdedigingsdrift. Als hij van zijn
verdedigingsdrift inzet mag hij weer buitmaken.
Het gebruiken van de buitdrift boven de verdedigingsdrift heeft ook achtergronden en redenen. In de eerste plaats is het trainen op verdedigingsdrift, vrij ouderwets van opvatting. J.R. Toman schreef al vanaf 1957 over deze methode. Toman werd gezien als een autoriteit op het gebied van africhtingmethodieken zowel voor dienst als sporthonden. Zijn boek “Opvoeding en africhting van de hond” getuige de vele herdrukken (tot in de tachtiger jaren) stond en staat bij menig africhter in de boekenkast.
Zijn stellige overtuiging was dat een hond die niet over de verdedigingsdrift werd geleerd te bijten, niets meer was dan een “terrein komediant” waarbij moed en karakter ver te zoeken waren. Wat echter ook in zijn boeken naar voren komt is dat hij in principe de mens en diens handelen c.q. gebrek aan kennis beschouwde als voornaamst reden voor het mislukken van veel honden.
Een verantwoord gefokte hond van een werkhondenras, mits goed opgevoed en deskundig begeleid zou in hoge mate aan de FCI eisen voor een verdedigingshond opleiding moeten kunnen voldoen, was zijn overtuiging.
In onze moderne tijd worden de ideeën van Toman vaak verguisd als ouderwets en niet van deze tijd. Ook is er kritiek op de zijn africhtingmethodieken. Zijn hele theorie echter was gestoeld op het simpele logo bestraffen en belonen. Met een hoog ontzag voor de hond, als helper in dienst van de mens en de maatschappij.
Dat de verdedigings en buitdrift ook op hoog niveau binnen de Duitse Herderwereld een hot item was, bewees wel dat Dr. Rummel destijds voorzitter van de SV (moederorganisatie van de VDH) in juli 1983 ferme uitspraken deed omtrent dit onderwerp in de SV zeitung (maandblad voor leden SV). Dr. Rummel vroeg zich af wat onze Duitse Herder zou zijn als slechts sprake was van een mouwtjesbijter, zonder de drift ter zelfverdediging en bescherming.
Hij stelt dat het geen aanbeveling verdient de hond alleen over buitdrift op te leiden voor het verdedigingswerk. Naast de buitdrift zal ook de verdedigingsdrift benut moeten worden om vooral geen genetisch materiaal verloren te laten gaan.
Hij wijst er verder op dat het een bekend gegeven is dat
niet benutte aanlegeigenschappen binnen de fokkerij op de lange duur leiden tot
achteruitgang van de (gebruiks)eigenschappen; wat voor de Duitse Herder een
catastrofe zou zijn.
Duidelijk moet zijn dat de hond over verdedigingsdrift laten werken meer puur is als over buitdrift. Het is ook een manier waar veel minder honden geschikt voor zijn als over buitdrift. De kans dat veel honden vanuit hun zwakkere aanleg op deze basis zouden falen (èchte moed en vechtlust) is groot. Een verkeerde inschatting van geleider of instructeur kan echter ook een in aanleg goede hond verpesten door te vroeg op deze drift over te schakelen.
Er heeft zich door diverse ontwikkelingen (fokkerij op specifiek exterieur, maatschappij invloeden, commerciële invloeden) een aantal honden ontwikkeld wat deze test (puur op verdedigingsdrift) niet aan zou kunnen, om ook met deze honden te kunnen sporten en uiteindelijk de VH certificaten te behalen, en naar de fokgeschiktheidskeuring te kunnen, is men gaan zoeken naar methodes die voor de gemiddelde hond geschikt zijn. Een gezonde mix in de opleiding tussen buit en verdedigingsdrift zou ideaal zijn.
Feit is dat de goede moedige karakterhond, ook met deze methode opgeleid kan worden. De verdedigingsdrift spreekt men later ook immers aan. De minder goede hond kan met bijna uitsluitend op buitdrift te blijven werken, en met niet te zwaar (dreiging en belasting) pakwerk toch zijn certificaat halen.
Met de methode over buitdrift kan ook veel vroeger begonnen worden het is immers een spel. Als je de verdediging en moed van een hond aanspreekt, moet hij wat meer gerijpt zijn (minimaal 1 jaar en soms nog ouder).
Ook is er veel ervaring en kennis vereist van instructeur en pakwerker om op de juiste manier te anticiperen op het gedrag van de hond.
Daarnaast is het ook voor de public relations een voordeel in onze moderne maatschappij om tegenover leken te kunnen verklaren dat pakwerk “in feite een spelletje is” en dat het niets te maken heeft met agressieve honden. Zeker gezien het beleid van minister Brinkhorst (o.i.v. de publieke opinie) t.a.v. het beleid agressieve honden, een argument.
Tot slot heb ik nog een treffend voorbeeld over verdedigen en moed wat ik recent in de krant las.
Het ging hier om een gezin wat een volwassen Duitse Herder Max genaamd uit het asiel had gehaald, toch wel fijn zo’n waakhond in huis. De viervoeter bleek echter niet over de hem toebedeelde “waak” eigenschappen te beschikken. Het was meer een allemansvriend, die elke vreemdeling kwispelend begroette. Typisch zo’n hond die geen vlieg kwaad doet.
Op zekere dag toen de vijftienjarige dochter des huizes Jolanda, Max s’avonds na het eten ging uitlaten. Op de gebruikelijke plek vlak bij een sportpark.
Sprong er een man uit de bosjes die “geld” “geld” roepend op Jolanda afrende, bij haar aangekomen pakte hij haar vast, en er ontstond een worsteling. Jolanda zette het op een luid geschreeuw, Max die verderop wat liep te snuffelen hoorde dit en rende naar zijn bazinnetje.
Aangekomen bij de belager en Jolanda, beet Max de man direct in het onderbeen, de man schoot los en Max beet hem nogmaals in de arm.
Jolanda kon zich uit de voeten maken en rende naar huis, Max heeft de vluchtende man nog vervolgd maar toen hij zijn bazinnetje niet meer zag is hij ook huiswaarts gegaan.
Deze hond handelde puur vanuit zijn verdedigingsdrift, hij had nog nooit een pakwerker gezien en was nog nooit op een trainingsveld geweest.
Toch is dit soort hond de ware verdedigingshond, hij was er toen het echt nodig was. En misschien in de rest van zijn leven wel nooit meer.
G.Nagel
|
Ga terug naar Africhting index INDEX |
| © design 2001/2002, G.Nagel: www.duitseherders.com |