Inteelt/lijnteelt
Het doel
van iedere goede fokker zal zijn het verbeteren van het ras. Daarvoor zal hij
zoveel mogelijk de Duitse Herder trachten te fokken, die zijn ideaalbeeld
benadert. Hij zal trachten een bepaalde eenheid in type te fokken.
Hiervoor selecteert
hij zijn fokdieren op gezondheid, karakter, exterieur en werkeigenschappen. Zijn
fokmateriaal zal altijd bestaan uit dieren die gekeurd zijn op fokgeschiktheid
en dus keurklasse 1 of 2 bezitten.
Een
middel om versneld tot eenheid te komen is inteelt. Het doel van inteelt is om
bepaalde eigenschappen fokzuiver te krijgen.
Zo
verkrijg je nakomelingen die zowel uiterlijk (fenotypisch) als erfelijk
(genotypisch) veel gelijkenis vertonen. Natuurlijk passend binnen de
rasstandaard.
We
spreken formeel van inteelt als het gaat om ouder-kind of broer-zus of
halfbroer-halfzus.
Alle
andere vormen van verwantschap tussen een fokpaar noemen we in de volksmond lijnenteelt.
Deze vorm
zien we bij de Duitse Herder. Er wordt vaak in lijn geteeld op een gemeenschappelijke
voorouder van het fokpaar.
Gemakshalve
gebruikt de rasvereniging de term inteelt bij een gemeenschappelijke voorouder
t/m de vijfde generatie.
Op het
certificaat van fokniveau van de pups komt dit bijvoorbeeld tot uitdrukking met
de term: inteelt: Odin v Tannenmeise (3-3)
Palme v
Wildsteiger Land (5-5,5)
Dit
betekent dat Odin bij de pup in de derde generatie (overgrootouders) voorkomt
bij zowel de vader als de moeder van de pup.
Palme
komt bij deze pup voor in de vijfde generatie eenmaal aan vaderskant en
tweemaal aan moederskant.
Staat er
op het certificaat van fokniveau inteelt: zonder
Dan
betekent dat t/m de vijfde generatie een gemeenschappelijke voorouder niet
voorkomt.
De
nauwste inteelt bij Duitse Herders die ik ken is (2-2) inteelt op een gemeenschappelijke
grootvader. Of anders gezegd de pup heeft zowel over vader als over moeder
dezelfde grootvader. Deze vorm is uitzonderlijk veel meer zien we een (3-3) of
hoger (3-4) of (3-5).
Het
intelen op een voorouder heeft de reden dat de fokker deze voorouder zeer goede
eigenschappen toedicht en deze kenmerken wil fixeren in zijn nageslacht.
Echter
bij inteelt worden zowel de gewenste als niet (latent) gewenste eigenschappen
vastgelegd in de nakomelingen.
En kunnen
dus ook ongewenste eigenschappen fokzuiver zijn geworden in de nakomelingen.
Bij nauwe
inteelt treden ook depressieve kenmerken op zoals vruchtbaarheid, vitaliteit en
weerstand tegen ziektes nemen af.
Ook is
belangrijk dat een fokker niet slechts op ččn of enkele eigenschappen zijn keus
laat vallen op de in te telen voorvader. En hiermee wellicht andere
eigenschappen verwaarloost. De balans tussen gezondheid, exterieur, karakter en
werkeigenschappen zal altijd primair moeten zijn.
Een
uitteelt optima forma kan eigenlijk niet bij de Duitse Herder omdat als je diep
graaft er altijd wel een gemeenschappelijke voorouder gevonden wordt.
Echte
uitteelt vindt bijvoorbeeld plaats bij het kruisen van twee verschillende
rassen. Dus bij ons ras kun je spreken van uitteelt als het fokpaar een mindere
verwantschap hebben dan het gemiddelde van de populatie.
Doel van
uitteelt is het verkrijgen van meer diversiteit in het genetische materiaal van
de nakomelingen. Ook wel tracht men meer “bastaardkracht” te verkrijgen die
zich uit door een verbeterde levensvatbaarheid, vruchtbaarheid, weerstand enz.
In de
eerste generatie zijn er vaak goede exemplaren bij. In de tweede generatie
nakomelingen (bij wederom uitteelt) zijn er echter vaak zoveel verschillende
genen dat uniformiteit afneemt.
Probleem
voor de fokker is ook op welke voorouder moet ik nu weer terug gaan fokken. Een
uitteelt binnen een fokprogramma kan uitkomst bieden als er bepaalde
eigenschappen (karakter of exterieur) in de dieren (uit de kennel) steeds
zwakker worden. En er geen geschikte dekpartner uit de door de fokker gevoerde
lijnen beschikbaar is. Het kan noodzakelijk zijn om een fokpartner te kiezen
uit andere lijnen waarvan je hoopt dat hij dit minpunt weer enigszins zal
kunnen opheffen in de dieren.
Vervolgens
kun je met een selectie van deze nakomelingen weer verder fokken op het
gewenste type dat je als doelstelling had. En dus ook weer terug keren naar de
lijnteelt.
Bij de
meeste fokkers heeft het zoeken naar een geschikte dekpartner uit passende
lijnen binnen zijn bloedvoering de voorkeur boven het gebruik maken van een
“bloedvreemde lijn”
Het
samenvoegen van een hond uit “werklijnen” met een hond uit “showlijnen” noemt
men ook wel combinatie fok.
De
selectie van toekomstige fokdieren uit de kennel blijft bij elke vorm van teelt
een speerpunt. Mede omdat binnen een nest ook de verschillen qua karakter en
anatomie aanwezig zijn. En een fokker al vroeg de keuze moet maken welke (fok)teef
hij bijvoorbeeld aan wil houden voor de toekomst.
Elk dier
is een individu, daarnaast is de verdere karaktervorming van de pup in zeer
grote mate afhankelijk van de opfok en opvoeding van deze hond.
Wat
anatomische aspecten betreft is ook de latere training van de hond
(ringdressuur, looptraining), en opbouw van spiermassa een beďnvloedbare factor
door de eigenaar.
Wat men
ook verkiest feit blijft dat bij het fokken van honden altijd de speling der
natuur bepaald hoe de genen gaan vallen. Men zal trachten als goede fokker de
zwakke punten in de volgende generatie te verbeteren. Of het resultaat ook zal
zijn wat men zich had voorgesteld blijft altijd de wens van de gedachte.
G. Nagel
14-01-2002
|
Ga terug naar Bloedlijn index INDEX |
| © design 2001/2002, G.Nagel: www.duitseherders.com |