Wanneer de keurmeester de hond van opzij bekeken heeft begeeft hij zich naar een
positie waarin hij de hond frontaal kan bezien. Eventuele onvolmaaktheden in de
stand der voorbenen zult u voor zover dit
mogelijk is binnen luttele seconden dienen weg te werken. Een hond zonder opvallende fouten laat men eenvoudig een
stap voorwaarts doen, waardoor de poten vanzelf goed komen te staan. Honden met neiging tot een zogenaamde
,,franse" stand, waarbij de middenvoeten naar buiten gedraaid zijn, dient men met
aandacht neer te zetten, waarbij een attentvolle houding zijn nut zal opleveren.
Een korte roep (alweer buiten zicht) bewerkstelligt de aandacht.
In het algemeen een teken tot roepen kan het beste geschieden in gebarentaal.
Vooraf bespreekt u waar de diverse handgebaren betrekking op hebben. Bedenk
dat ook het gebaar: ,,niet roepen" belangrijk kan zijn, evenals ,,uit het zicht blijven". Het aanroepen van de hond door
een helper binnen de ring vergt niet alleen te veel van de hond en geleider doch getuigt eveneens van onsportiviteit en lijkt te
spotten met de aanwezigheid van de ringmeester en de ringcommissarissen die
zorg moeten dragen voor het ordentelijk verlopen van de keuring. Daarbij hoort
ook de kontrole op het naleven van de sportiviteit.
![]()
Na het bekijken van het front begeeft de
keurmeester zich naar een positie achter
de hond. Het is nu mogelijk dat de keurmeester de hond onderwerpt aan een lichte karaktertest. Hij loopt hierbij op de hond
toe, passeert hem en strijkt het dier soms
even over de kop. Schrikt de hond hier
duidelijk van en/of kruipt angstig achter de
baas weg, dan volgt een aanmerking op
het karakter. De oorzaak ligt in zijn erfelijke aanleg, doch meestal of overwegend in
zijn milieu en dat wordt grotendeels bepaald door de baas. Sportief is de geleider
wanneer hij gekonstateerde karakterzwakte zonder tegenspreken of morren
accepteert. Volgende keer beter! Een enkele keer ligt deftout bij de geleider zelf:
door een beoordelingsfout kan de geleider teveel druk op de hond gezet hebben bij
het onder kontrole houden van het dier. Er is niets moeilijker dan het voorbrengen
van een angstige hond! In zo'n geval is het raadzamer dat de baas het dier zeif
weer in handen neemt.
Achter de hond aangekomen bekijkt de keurmeester of de
achterpoten in twee evenwijdige vlakken staan en/of de ellebogen juist tegen het lichaam aansluiten. O-benen komen bij een
Duitse Herdershond niet zo vaak voor, wel koehakkigheid en eng staan.
Het ,,eng-staan" achter, waarbij de totale middenvoet te zeer naar het midden staat,
vind ik persoonlijk niet zo ernstig als het ,,koehakkig-staan", waarbij uitsluitend de
spronggewrichten naar elkaar wijken. Koehakkigheid duidt meestal op een te
scherpe hoeking in de achterhand, onvoldoende gespierdheid door slechte voeding of gebrek aan verantwoorde training
dan wel een combinatie van deze faktoren. Overhoeking in de achterhand vergroot niet alleen de instabiliteit van de
achterhand doch doet tevens de kans op
heupdysplasie toenemen, daar het heupgewricht naar verhouding te zwaar belast
wordt. Overtollig lichaamsgewicht vergroot de belasting eveneens.
Het corrigeren van eng-staan en koehakkigheid geschiedt het beste door de hond
een stap naar voren te laten doen en vanuit die positie enige lichte correcties aan
te brengen. De tijd is echter kort. U moet van tevoren weten wat u zult gaan doen.
Menigmaal moet men de ene fout laten zien, om een andere, zwaarder wegende
fout te maskeren. Dit verschijnsel kent men ook in de africhting: een puntje laten
vallen om er twee te verdienen.

Na het afwerken van de periode waarbij de hond stil stond, komt nu het moment
van de individuele beoordeling van de hond in beweging. Een uiterst belangrijk
moment waar veel van afhangt. Allereerst wordt men verzocht met de hond in een
rechte lijn van de keurmeester af te lopen. Gekeken wordt daarbij naar het eventueel
uitdraaien der ellebogen en naar onvolmaaktheden in de beweging der achterhand.
Loopt de hond koehakkig, zorg er dan voor dat hij iets strak in de lijn loopt. Sleuren aan de lijn werkt averechts. Het licht
trekken vergroot evenwel de kans op het uitdraaien der ellebogen. Een en ander
zal tegen elkaar afgewogen moeten worden.
Een ding is zeker: het is verstandig van tevoren goed te weten waar de fouten van
de hond zitten, om daarnaar te kunnen handelen. Een hond met neiging tot telgang zal een schommelende rug vertonen. Bij hem let u allereerst op een correcte loopvolgorde. Tijdens het van de keurmeester af gaan probeert men zelf te blijven stappen. Na ongeveer vijftien meter
draait men om en gaat dezelfde weg terug. Het uitdraaien der ellebogen wordt
opnieuw kritisch bekeken evenals de wijze waarop de hond zijn voorpoten gebruikt.
De geleider passeert met de hond de keurmeester en bevindt zich nu op een
stuk waar hij zich prepareren moet om een aantal ronden rondom de keurmeester in draf te gaan. Binnen een afstand van enkele meters dient de hond in
het juiste drafritme gebracht te worden.
Ziet men dat de hond goed draaft of gaat draven, dan begint men daadwerkelijk
aan de voor de keurmeester van opzij duidelijk zichtbare ronde. De snelheid waarmede dit draven geschiedt bepaalt het
welslagen. Het bepalen van het looptempo dient vooraf beproefd te zijn! Ziedaar
andermaal het belang van een gedegen voorbereiding. In het algemeen kan gezegd worden dat
het draven bij voorkeur niet te snel dient te geschieden met optimale benutting van
de gehele ring: een in een relatief kleine cirkel snel dravende hond gaat ,,wringen'
en toont onvoldoende afzet.
Bij neiging tot telgang tilt men de hond zonder te stoppen, een kort ogenblik op
waardoor de voorhand in een gunstige drafpositie ,,valt" ten opzichte van de achterhand. Bij het aanvangen van de draf
valt dit ook te bereiken door, gepaard gaande met een licht rukje omhoog, in
een hoog tempo te starten, direkt gevolgd door een vertraging tot het meest geschik
te draftempo. Het corrigeren van een hond welke tijdens de draf in telgang gaat
kan soms reeds geschieden door hem even licht opzij te trekken. Ook dan kan
het bewegingsritme ten gunste veranderen. Idealer is uiteraard de situatie waarbij
de hond uit zichzelf goed gaat draven, op grond van zijn juiste bouw en goede trai
ning. Bij het corrigeren speelt het aanvoelen van de meest geschikte motoriek een
belangrijke rol en kan aldus het resultaat
van de keuring beinvloeden.

Bij honden die op de voorhand vallen meestal tengevolge van een korte opper
arm en/of onvoldoende gespierdheid ,,hangt" men de hond vaak op. Dit levert
afgezien van ongemak voor de hond meer nadeel dan voordeel. Beter is het
dan de hond goed strak in de lijn te laten draven. Het strak in de lijn lopen bevordert
tevens de afzet achter. Van belang hierbij is de lijn zo laag mogelijk te houden. Een
hond die te sterk trekt zakt in de achter hand te diep weg, de krachtsoverbrenging,
gaat geforceerd en de ruglijn loopt niet horizontaal meer: de hond zal snel vermoeid
raken.
Het te hard trekken in de lijn bewerkstelligt tevens het ongewenste ,,steppen" in
de voorhand. Als richtlijn voor de kracht waarmede de hond mag trekken aan de
lijn zonder dat dit te veel nadelen gaat opleveren, kan men de situatie beschou
wen wanneer met een uitgestoken vinger
door het uiteinde van de lijn de hond tegen te houden is. Ideaal is de situatie waarbij de rug tijdens
het draven strak ligt en voor- en achterpoten soepel bewegen. Gedurende dit draven is het uit zicht blijven van de helpers erg belangrijk. Een
korte roep, op de juiste plaats en het juiste tijdstip kan de attentie van de hond wekken en het draven aanschouwelijker maken. Het voor de hond uitlopen in de ring
is afkeurenswaardig om redenen welke reeds eerder genoemd ziin!
De lijn welke de verbinding vormt tussen de hond en de geleider dient tijdens het
draven zo stil mogelijk gehouden te worden om rukken aan de nek van het beest te
voorkomen. Dit vergt enige lichaamsbeheersing van de geleider die moet voorkomen dat zijn eigen lichaamsbewegingen
die van de hond beinvloeden. Vooral moeilijk bij vermoeidheid. Vandaar ook
het belang van een goede konditie van de geleider!
Bij nat weer bestaat een grotere kans op het gras uit te glijden. Het beschrijven van
een cirkel gaat vooral in het begin gepaard met wat wringen tijdens het lopen,
daar men de hond immers niet kan zeggen wat staat te gebeuren. Beheerst draven en aangepast schoeisel nemen veel
risico's weg.
Een in showwerk ervaren hond weet onmiddelijk wat de bedoeling is. Zodat men aan hem meer tijd
kan besteden voor wat betrefd de presentatie.

|
Ga terug naar Kynologie index INDEX |
| © design 2001/2002, G.Nagel: www.duitseherders.com |