
Dit artikel verscheen in "De Duitse Herdershond (VDH blad), van maart 1989.
Het is de beste handleiding voor exposanten, die ik ooit gelezen heb in de Nederlandse taal. Vermeld dient te worden dat er van de
hand van Peter Nefs, kennel vom Schönbach Silva, en per 1 september benoemd tot exterieurkeurmeester voor Duitse Herdershonden met de B-status , zeer veel waardevolle artikelen zijn verschenen. Waarbij hij zowel zijn kennis op het gebied van de africhting (o.a. bloedlijn analyses) alsook kynologisch getinte artikelen schreef.
Dat hij zijn diverse theorien ook in de praktijk wist om te zetten, bewijzen zijn vooral in het verleden succesvolle honden uit zijn kennel. Die zowel op het anatomische alswel op het africhtingsgebied ver boven de middelmaat scoorden.
De anatomie van de Duitse Herdershond wordt op een clubmatch bekeken geduren de de zogenaamde standkeuring. Hierbij houdt de geleider de hond staande, in een dusdanige positie dat hoekingen en verhoudingen van het dier zo optimaal mogelijk door de keurmeester beoordeeld kunnen worden. De keurmeester bekijkt de hond van alle kanten, stelt vragen aan de geleider, laat de hond van zich af en weer terug stappen en bekijkt het gangwerk door hond en geleider enkele ronden om hem heen te doen draven. De keurmeester schrijft zijn bevindingen op of laat dit doen en roept de volgende hond op. Het lijkt simpel doch er zit meer aan vast dan men op het eerste gezicht zou denken. Bekijken we daarom de standkeuring eens in details.
![]()

Afgezien daarvan hebben we in feite de. morele verplichting dit aanroepen niet uit
de hand te laten lopen daar dit volgens de reglementen van de Raad van Beheer op
Kynologisch Gebied wel degelijk strafbaar is. Wordt men door de ringmeester erop
geattendeerd dat aanroepen of in het algemeen gesproken het ,,aandacht trekken van de hond" niet toegestaan is, dan
doet men er wijs aan deze vorm van "double-handling" achterwege te laten.
Een attente hond toont zich onmiskenbaar beter: zijn oren staan rechtop, zijn houding is licht opgericht, zijn spieren zijn straffer, de hond houdt door de warmingup de bek open en toont aldus een mooiere uitdrukking; hiertegenover staat als nadeel dan wel een eventueel heen en weer zwaaiende, soms hoog opgerichte staart.
Rustgevende woorden, strijken over de rug van de staartaanzet zijn een voor de
hand liggende remedie.
Begint de hond te bokken, dan is het zaak de hond onder appel te brengen en hem
onder bevel te doen staan. Lijfelijke straffen halen weinig uit en u kunt uitsluitend
een opmerking over het karakter van de hond krijgen, wanneer u dit te ver doordrijft. Bovendien is de keurmeester gerechtigd u op grond van onsportief gedrag
achteruit te zetten of te diskwalificeren. Het toedienen van lijfelijke straffen behoort mijns inziens in het algemeen achterwege te blijven. Breng de hond zover
dat hij het verlangde wil doen om het werk zelf en om zijn baas te behagen en niet uit
vrees voor straf. Het verstrekken van lekkernijen als middel om iets gedaan te krijgen is nu ook geen faktor om de arbeidslust te vergroten. Arbeidslust is een term
die we niet alleen in de africhting hanteren doch zeker ook op clubmatches en tentoonstellingen.
De wil te werken en de wil om de baas te behagen moet als zeer positief opgevat
worden. Zij vormt een wezenlijk onderdeel van de gebruikswaarde van het dier. ,,Wilingness-to-please" is een belangrijk onderdeel van de ,,geschiktheid voor het werk".
![]()
WAT IS DE IDEALE STAND
VAN DE HOND?
Een zo ideaal mogelijke stand is eerst en vooral een natuurlijke stand, waarbij het lichaarnsgewicht gelijkmatig over de vier
poten verdeeld is. We zien daarbij graag dat de voorpoten zowel van voren als van
opzij bezien recht staan. De achterpoten staan, van opzij gezien, licht uiteen, van
achter bezien recht, in twee evenwijdige vlakken.
De achterpoot, weike zich bevindt aan de zijde van de keurmeester, wordt geacht in
een dusdanige positie naar achteren te staan dat de middenvoet van de hond
loodrecht ten opzichte van de bodem staat. Het dier behoort de indruk te wekken vanuit deze attente houding onmiddellijk weg te kunnen lopen.
De ruglijn ligt daarom zo vlak mogelijk, hetgeen niet te verwezenlijken is bij het
overdreven neerzetten van de achterhand. Overigens is een hond weike achter
overdreven neergezet is teneinde meer hoeking te suggereren, niet meteen te omschrijven als een ,,berg-af"-type zoals dit
gemakshalve gedaan wordt. We spreken dan liever van een ,,berg-af"-stand.
In deze stand zien we dat de voet van de achterpoot welke niet aan de zijde van de
keurmeester staat, veel te ver naar voren wordt geplaatst, terwiji de voet van de andere achterpoot weer veel te ver naar achteren gaat. Resultaat van deze geforceerde houding: de achterhand zakt wat door,
zodat de hond wel meer hoeking lijkt te bezitten, doch dan met een sterk aflopende ruglijn en een totale verstoring van een
natuurlijke biomechanisch evenwicht. Op een natuurlijke wijze neergezet zonder
overdrijving, is een hond optimaal te beoordelen, terwiji daarnaast ook het beoordelen van het gangwerk inzicht kan verschaffen orntrent bouw en hoeking van
het dier.
![]()
HET OPBOUWEN VAN EEN GOEDE STAND
Van een ideale situatie is sprake wanneer we de hond onder toevoeging van het bevel ,,sta" met gevierde lijn uit zichzelf de vereiste positie kunnen laten innemen. Door de lijn even iets minder strak te houden, geven we de hond te kennen dat hij een enkele stap naar voren kan doen, wanneer bijvoorbeeld de verkeerde achterpoot naar achteren zou staan. Evenwel, dit valt slechts te bereiken met behoorlijk goed opgebouwde honden, die rustig kunnen zijn en toch attent , goed onder appèl staan en voorgebracht worden door iemand die inzicht heeft in de anatomie van de Duitse Herdershond en doorkneed is in het voorbrengen. Er is een regel die iedere exposant zou moeten kunnen dromen: ,,Een goed opgebouwde hond staat altijd goed". De meeste honden bezitten kleinere of grotere onvolmaaktheden, die we door een juiste wijze van voorbrengen moeten trachten te verdoezelen of beter gezegd: we moeten trachten te voorkomen dat de fouten geaccentueerd worden. Met name dit laatste duidt op een filosofie weike menig africhter zou behoren te kennen om meer begrip op te brengen voor de fokkerij.

Trucage bij het voorbrengen, mits het binnen het sportieve blijft, moet gezien worden als het afleiden van de aandacht op
bepaalde fouten. Doch juist dit valt bij menig africhter verkeerd. Onbegrijpelijk, temeer als men beseft dat het arsenaal aan
trucs bij een ervaren africhter veel groter is!
Een ieder moet vrij zijn een hond zo optimaal mogelijk te showen, mits men elkaar
niet hindert, niet het uiterste vergt van de hond en. . . sportief blijft.
Onervaren exposanten doen er goed aan een bepaalde volgorde van handelingen
aan te houden wanneer de stand opgebouwd wordt. Een langdurige, opbouwende, doch niet overdreven geaccentueerde
voorbereiding vormt de basis en schept tot op zekere hoogte dat het in stand zetten vlot verloopt. Hoe eerder de hond
staat, des te meer tijd heeft de keurmeester, zich een juist oordeel te vormen
over uw hond.
Belangrijk in dit verband is het om wanneer de voorgaande geleider met hond
het teken krijgt het veld te verlaten, u onmiddellijk naar de keurmeester te begeven. Een korte groet komt ook bij deze
man positief over, evenals een duidelijk en beknopt antwoord op de vragen die hij
stelt.
![]()
WAT BEHOORT U TE WETEN VAN UW
HOND TIJDENS DE STANDKEURING?
In de eerste plaats de leeftijd van de hond!
Ergerlijk en onnodig tijdrovend is de situatie waarin de geleider aan de helper moet
vragen hoe oud de hond is.
Bereidt u er op voor dat tevens geinfomeerd wordt of de hond geröntgend is en
met welk resultaat. Bedoeld wordt uitsluitend het officiele HD-onderzoek, dat eerst
op een leeftijd van op zijn vroegst twaalf maanden plaats kan hebben gevonden. Is
uw hond jonger dan een jaar, dan zai het hem uiteraard niet aangerekend worden
niet in het bezit te zijn van een ,,a"-stempel.
In de gebruikshondenklasse wordt daarnaast veel waarde gehecht aan door de
hond behaalde werkcertificaten e.d. (VH-,Sch.H., IPO- of IER-diploma).
Indien de hond africhtingskentekenen behaald heeft of aangekeurd is, zorgt u dan
dat u de bewijzen daarvan op zak heeft (werkboekje, aankeuringsformulier). Te-
vens de stamboom met paspoort waar ondermeer het tatouage-nummer in staat.
Dit nummer kan af en toe gekontroleerd worden en vergeleken met het nummer in
de oren van het dier.
De keurmeester kan al deze bescheiden ter inzage vragen. Waarschijnlijk onnodig
aan te stippen dat deze belangrijke papieren niet in de verkeerde handen terecht
moeten komen, Tijdens het beantwoorden van de gestelde vragen zorgt de geleider
dat de hond zich niet op een ongunstige wijze toont (!).
Zoals in het voorgaande reeds aangestipt is: als gewichtigste criterium bij het in
stand zetten is het rustig doen zijn van de hond. Maak hem duidelijk dat het de bedoeling is dat hij staan blijft. Bij goede
voorbereiding heeft de hond dit onmiddellijk door. Als eerste handeling strijkt u vervolgens even over de rug. Deze handeling
wekt bij de hond aangename gevoelens op en hij zal geneigd zijn de komende gebeurtenissen lijdzamer te ondergaan. De
stem van de geleider speelt eveneens een belangrijke rol. Gedurende de gehele
standkeuring wordt op de hond rustig ingepraat.
![]()
DE TECHNIEK VAN DE STANDKEURING IN DETAILS
Met de hond in attentie-houding wordt getracht de voorhand binnen redelijk korte
tijd gunstig te doen uitkomen door de hond met de ene hand onder de hals te
steunen en te krabbelen en met de andere hand hem voor even op te tillen door hem
onder de borstkas te vatten. Er zijn exposanten die zich licht over de hond heen
naar voren buigen en de hond met beide handen voor linker- en rechteropperarm
pakken en hem zo in positie tillen. De voorpoten komen daarbij verder onder het
lichaam te staan hetgeen een goede hoeking voor benadrukt en de ellebogen goed
aansluitend doet zijn. Dit effekt verkrijgt men ook door desgewenst die voorpoot
weike voor de keurmeester te zien is, een paar centimeter verder naar achteren te
zetten dan de andere. De elleboog wordt daarbij tevens tegen het lichaam aangeduwd.
Een hond met een goede voorhand behoeft al deze kunstgrepen niet te ondergaan. Bij een redelijk attente houding
staat hij altijd goed.
Met de ene hand strelend onder de kin, strijkt men de andere hand enkele malen
over de rug, intussen steeds verder naar achteren gaand. Dit strelen mag gerust
met lichte druk gepaard gaan om de hond min of meer te dwingen zijn lichaarnswicht
gelijkmatig te verdelen. Vervolgens zet u de achterpoot weike zich
aan uw zijde bevindt, licht naar voren. Nooit overdrijven, want anders lijkt de
hond een afvallende croupe te bezitten en/of een gebogen ruglijn.
De hand gaat even terug naar de rug om te strelen en vervolgens zet men de andere achterpoot naar achteren, zo ver dat de
middenvoet rechtop staat. Men omvat hierbij de achterpoot niet volledig, doch tilt
de achterpoot iets op door onder de knie van de hond te pakken. Dit gebeurt in een
paar tellen. Opnieuw strelen met lichte druk waardoor het gewicht inderdaad
goed verdeeld wordt. Een goed weggezette, redelijk gebouwde en rustige hond blijft
dan staan.
Met de stem probeert u hem in zijn positie te houden. De attentie kan af
en toe gewekt worden door uit het zicht kort aan te laten roepen.
Rammelen of zwaaien met een bekend voorwerp heeft soms meer effekt dan het
gebruik van fluitjes, die voor de omstaanders erg hinderlijk kunnen zijn.
Bij het attenderen van een hond is de herkenning een belangrijker aspekt dan het
geluidsvolume. In het heetst van de strijd kan het echter best moeilijk zijn om het
enthousiasme in te tomen.

DE POSITIE VAN DE POTEN
Het is belangrijk te weten of uw hond krap, normaal of scherp gehoekt is. Bij een ma-
tig gehoekte achterhand is het zaak zoveel mogelijk hoeking te laten zien. Dit
kan bereikt worden door de achterpoot welke naar achteren staat, direkt naast de
denkbeeldige lijn te zetten, welke loopt midden tussen de voorpoten naar achter
toe tussen de achterpoten en onder de staart. Een lijn die de hond over de lengte
in tweeen deelt. Zou men de achterpoot te ver naast de lijn zetten dan heeft de hond
meer beenlengte nodig om zijn achterpoot even ver naar achteren te zetten. Van opzij bezien lijkt de hond meer hoeking te
bezitten indien hij praktisch op de denkbeeldige lijn staat.
Een scherp gehoekte hond wordt met de bewuste achterpoot verder van deze lijn
afgezet, heeft daardoor meer beenlengte nodig om even ver naar achteren te kunnen staan en de hoeking lijkt minder uitgesproken.
In pootafdrukken:
![]() |
![]() |
![]() |
![]()
Het is hierbij evenwel zaak goed te letten op natuurlijke gewichtsverdeling. Door de
achterpoten te verzetten wordt instabiliteit in de hand gewerkt. Vaak herstelt de hond
het evenwicht zelf.
De achterpoot, welke aan de kant van de geleider staat, kan gebruikt worden om
correcties in de croupe-helling aan te brengen. Een te sterk afvallende croupe
kan optisch verbeterd worden door middel van het wat achteruit zetten van genoemde poot. Het te ver naar voren zetten van
deze poot is een fout waar velen gemakkelijk in vervallen. In Amerika is het ver uit
eenzetten van de achterpoten helaas gemeengoed geworden. Bereikt wordt daarmee wel dat de totale achterhand zakt ten
opzichte van de voorhand. De indruk wordt gewekt te maken te hebben met een
hond met een hoge schoft en een aflopende ruglijn. Heel indrukwekkend doch foutief: de ruglijn behoort nagenoeg horizontaal te liggen met bij de schoft een lichte
welving naar boven en vervolgens geleidelijk aan overlopend in de nek. Naar achter toe verloopt de rug vanaf de croupe
eveneens geleidelijk naar beneden. De
zogenoemde ,,berg-af"-honden zijn biomechanisch gezien geen doeltreffende
dravers!
Dit laatste is ook niet het geval bij honden wier ruglijn opvallend gebogen is. Een
verschijnsel dat uiteenlopende uitingsvormen heeft. De lendenstreek kan opgetrokken zijn, hetgeen soms te wijten is aan
een zwakke rug (onvoldoende of onjuiste training dan wel erfelijke aanleg hiertoe),
doch het verschijnsel treedt ook meer naar voren op, wanneer reeds vanaf de
diafragmatische wervel de wervelkolom een te sterke kromming bezit.
Een soepele krachtsoverbrenging van achterhand op voorhand wordt hierdoor
gestoord. Evenwel: bij een goede lengte van opperarm en schouder alsmede dito
hoeking wordt de krachtsoverbrenging toch redelijk goed opgevangen en is de
tredwijdte voor bevredigend.
Tijdens het in stand zetten behoort de ruglijn kritisch bekeken te worden. Vertoont
de hond een lage schoft, probeer hem attenter te doen staan en/of corrigeer eventueel te ver uiteenstaande voorpoten.
De reeds eerder vermelde elfde of diafragmatische wervel veroorzaakt de immer
aanwezige knik. Dit is geen echte fout,
doch een eigenschap van de wervelkolom. De belijning wordt er echter door
gestoord. De knik achter de schoft varieert van hond tot hond. Mede spelen een rol:
de rugspieren, de voedingstoestand en vooral de beharing. Met name dit laatste
vormt tevens een middel een en ander te maskeren.
Ter hoogte van het knikje worden met licht gespreide vingers de haren
naar voren gestreken. Met een voorzichtige strijkbeweging met de volle hand worden de haren terug naar achteren geduwd. Als het goed is, vallen de haren
recht naar achteren, daarbij de knik verbergend. Een warrelige beharing stoort
echter weer de belijning: zorgvuldigheid is daarom geboden.
Uiteraard niet corrigeren wanneer de keurmeester staat te kijken: men attendeert hem dan op de fouten.