![]() |
|
![]() |
Het woord bloedlijnen wordt vaak gebruikt door fokkers, maar men vindt het zelden in boeken
over veeteelt, en nog minder in boeken over erfelijksheidsleer.
In het algemeen betekend bloedlijnen hetzezelfde als afstamming, maar het is niet zo nauwkeurig.
Intussen wordt het ook gebruikt in de betekenis "familie", bijvoorbeeld bij de opbrengstproeven
om te kijken welke welke bloedlijnen het produktiefste zijn.
Soms wordt bloedlijn gebruikt in de zin van nauwe verwantschap, bijvoorbeeld als men zegt
dat twee dieren nagenoeg dezelfde bloedlijn hebben. In dit geval bedoelt men, dat deze twee dieren nauw verwant zijn.
Spreekt men van waardevolle bloedlijnen, dan wil dat zeggen dat de dieren nauw verwant zijn en afstammen
van in hoog aanzien staande voorvaderen. De uitdrukking "bloedlijnen" wordt vrij algemeen gebruikt, maar geeft niet
duidelijk de verwantschap aan.
Vaak wordt deze uitdrukking gebruikt in de zin van lijnenteelt of van inteelt. Bijvoorbeeld wanneer een fokker zegt, dat hij
dieren wil paren van dezelfde bloedlijnen. Bovendien om de indruk te geven (wat niet juist is) dat een heel complex van erfelijke eigenschappen
onveranderd als een geheel van voorouders tot nakomelingen, generatie na generatie, wordt overgebracht. Maar draai de zaak nu eens om, dan zien we
misschien, wat er in werkelijkheid is gebeurd.
Het eerste dier, de beroemde vader, waarnaar de bloedlijn is genoemd, werd gebruikt in een van de beste veestapels.
Hij had vele zonen en dochters. Voorzover de fokker ze kon uitkiezen, werd slechts een enkele of de beste zoon gebruikt
en dekte vrouwelijke dieren, beter dan de doorsnee.
De zoon, die door nakomelingen toonde de beste te zijn, werd weer de leider van zijn generatie en diens vermoedelijk beste zonen werden veel
gevraagd en gebruikt voor de veestapels van hun tijd.
Dat ging misschien door gedurende verscheidene geslachten, waarbij in iedere generatie tenminste een voortreffelijke zoon voorkwam naar een uitstekende
vader. Dit is welbekend aan een ieder, die de stamboom van een bepaald ras bestudeert.
Maar wat er in werkelijkheid is gebeurd, is niets anders dan intensieve selectie tussen de zonen van iedere generatie. Op grond van de vaagheid van het woord
heeft de uitdrukking bloedlijn niet zo'n goede naam als wetenschappelijk woord. De meeste
fokkers weten echter, wat er mee bedoeld wordt. Nauwkeurig zijn de uitdrukkingen verwantschap en inteeltcoëfficient, maar behoeven een langere verklaring.
Er is geen methode, waarmee men "bloedlijn" kwantitatief kan maken, maar het woord is vaak bruikbaar als uitdrukking van kwaliteit.
Biologisch gezien is het veel correcter om een individu te zien als een enkel knooppunt in een enorm net van afstamming dan het behoort
bij een bepaalde bloedlijn. Het net is in alle opzichten onregelmatig met uitzondering van dat ene, dat ieder individu slechts twee en
niet meer dan twee ouders heeft.
De voorouders van een individu verspreiden zich heel snel. Zodat in de loop van slechts enkele generaties in zijn stamboom bijna dezelfde
dieren voorkomen als bij de andere, zij het dan, dat enkele voorouders vaker en andere minder vaak voorkomen. Wat ook begrijpelijk is, want
sommige dieren hebben vele zonen en dochters, andere weinig of helemaal geen. Het ras zet zich voort in tijd en ruimte en verandert slechts
langzaam. Ieder individu is verwant met alle andere, maar in heel verschillende graad.
Een bloedlijn kan er even zomin uitgehaald worden als dat men een enkele draad uit een visnet trekt. Hoewel een visnet toch heel wat regelmatiger is dan de afstammings
structuur van een ras.
Terug naar ons ras de Duitse Herder
Wij beschouwen bij ons ras de bloedlijn: De mannelijke voorouders van een hond zonder te kijken naar de moederlijnen. Het is duidelijk dat de moederlijn even
belangrijk is als de vaderlijn. De moerhond is de "draagster van de fokkerij" maar de belangrijkheid van een fokdier wordt vooral bepaald door het aantal nakomelingen,
waardoor de invloed op verspreiding van het ras merkbaar wordt.
Het verschil tussen fenotype en genotype oftewel tussen uiterlijk verschijningsbeeld, en de erfelijke aanleg blijft een moeilijke materie om te voorspellen.
Een bijzondere fraaie Duitse Herder behoeft noodzakelijker wijze niet altijd zijn persoonlijke (individuele) eigenschappen, in even sterke mate door te geven aan zijn
nageslacht.
Terwijl daarintegen gevallen bekend zijn van minder uitblinkende honden, die prima bleken te vererven. Feit blijft dat de grootste kans op goede nakomelingen te vinden is bij ouderdieren
die zelf blijk hebben gegeven, aan de hoogste normen te kunnen voldoen. Ook in de genetica biedt de leer der statistiek een stevige houvast. Een juist inzicht in toepassing in
van beide wetenschappen bij de fokkerij zou niet alleen verhelderend werken, maar ook veel onbegrip of zelfs vooroordelen kunnen voorkomen.
Het samensmelten van zaad- en eicel resulteert soms in het naar voren brengen, van eigenschappen die in het genotype van de ouderdieren verborgen lagen.
En die bij hen fenotypisch niet zichtbaar waren.
Als voorbeeld kunnen we bijvoorbeeld de kleur zwart nemen. Uit twee andere gekleurde ouderdieren kunnen wolsgrauwe welpen geboren worden. Op dat moment weten we
dat beide ouderdieren fokonzuiver (hetreozygoot) voor deze eigenschap zijn. In hun genotype ligt de aanleg voor de kleur zwart verborgen.
Wat altijd als een paal boven water blijft staan, is de wetenschap dat tussen de nakomelingen onderling. Van èèn ouderpaar, altijd verschillen te vinden zijn, soms zelfs erg grote
en niet altijd fenotypisch doch ook genotypisch.
Kortom het resultaat van het bijeenbrengen van een ouderpaar is slechts tot op zekere hoogte voorspelbaar. En dan nog slechts met verstand van zaken, en feeling voor de fokkerij.
Of het rotsvaste geloof in het werken met bepaalde lijnen.
De enige kynologische zekerheid ligt in het feit, dat zo goed als nietys zeker is!
En dat is maar goed ook, want we hebben niet te maken met robots maar met levende dieren. Waarbij naast de erfelijke eigenschappen, ook het milieu waarin de hond opgroeit een grote invloed heeft op met name
karakter en gedragsontwikkeling.
Men bestudeert zodoende de afstamming achteruit via vader, grootvader, overgrootvader, die allen ongetwijfeld uitstekend waren in hun soort.
Terugziende vinden we soms een hele reeks van welbekende dieren met schitterende eigenschappen.
Een reu brengt in doorsnee vijftig nesten per jaar, dat is bij een doorsnee van 5.5 welpen per jaar 275 welpen. Een teef brengt maximaal twee nesten per jaar,
dat zijn 11 per jaar of 4% van wat een reu kan brengen.
Daarom is het gebruikelijk om overwegend naar de vaderlijnen te kijken. Criteria om een bloedlijn te beoordelen zijn:
Volgens deze criteria beoordeelt men een bloedlijn. Mogelijkheden om de verervingskracht van de individuele reuen te beoordelen
zijn:
Vooral het keurboek biedt veel de mogelijkheden. Hoewel de verervingsleer volgens Mendel voor elke fokker essentiëel is,
Is het niet mogelijk de veelvoud van eigenschappen bij de Duitse herdershonden alleen via deze leer te kunnen fokken.
De populatie-genetica geeft meer zekerheid naarmate het aantal nakomelingen groter is. Het keurboek biedt de mogelijkheid om met betrekking tot deze
populatie-genetica tot een zekere beoordeling te komen. Met behulp van de computer en koppelen en opslaan van data zal het makkelijker worden,
om doeltreffende conclusies te trekken.
|
Ga terug naar Bloedlijnen index INDEX |
| © design 2001/2002, G.Nagel: www.duitseherders.com |