In de eerste plaats wil ik Jan Demeyere bedanken voor zijn
zeer arbeids intensieve studie en analyse van duizenden HD uitslagen van in
Duitsland geregistreerde dieren. Groot respect voor dit monnikenwerk is op zijn
plaats.
De
Duitse rasvereniging SV is enkele jaren geleden afgestapt van het enkel kijken
naar de individuele uitslag van het fokdier. Men introduceerde de Zuchtwert
(ZW) (Fokwaarde) als extra hulpmiddel om het gebrek verder terug te dringen
binnen het ras. Kort gezegd wordt bij de Zuchtwert ook rekening gehouden hoe
binnen de direkte familie (ouders, nestgenoten) en het dier zelf wordt vererft
op HD en is het gemiddelde van het ras vast gesteld op ZW 100, lager betekend
minder kans op HD hoge ZW betekend meer kans op HD. Dit is een hele beknopte
definitie uitgebreidere informatie over de Zuchtwert vindt je bij Artikelen
> Zuchtwert of Fokwaardeschatting.
Een
paar voorbeelden van Zuchtwerte van honden met een gemeenschappelijke vader:
Vader:
Odin Tannenmeise HD 1, ZW 95:
Nakomelingen:
Jeck
Noricum HD 3, ZW 94
Zamb
Wienerau HD 1, ZW 104
Dana
Herderskring HD 1, ZW 89
Yolli
Kreuzbaum HD 1, ZW 98
Een
paar voorbeelden van Zuchtwerte van honden met een gemeenschappelijke moeder:
Moeder:
Haska v Karthago HD 1, ZW 75:
Nakomelingen:
Cliff
Lutter HD 1 ZW 76
Asko
Lutter HD 1, ZW 81
Basko
Lutter HD 1, ZW 65
Fado
Lutter HD 1, ZW 86
Uit
deze willekeurige rijtjes zie je ook dat de waardes van nakomelingen van een
ouder met een lage waarde (Haska ZW 75) veel beter zijn dan van een ouder met
een hoge waarde (Odin ZW 95).
Het
officiële standpunt van de SV is op het moment (2005 bron SV website): „Het
staat vast dat de ziekte heupdysplasie voor 30% erfelijk bepaald wordt en voor
70% afhankelijk is van andere factoren“.
In
april 1999 schreef dezelfde SV in het jubileumblad: „Zeker is dat de
erfelijkheid voor dit gebrek een belangrijke rol speelt.........50 tot 60
procent erfelijk bepaald wordt“.
Dat
is dus een behoorlijke verandering van standpunt in zes jaar tijd! Het is voor
de SV natuurlijk ook gunstig om zoveel mogelijk de „erfelijke factor“ uit te
sluiten. Immers voor de „andere factoren“ lees milieu (opvoeding, belasting
enz.) en voeding is de rasvereniging immers niet verantwoordelijk. Op de
erfelijke factor wel.
Vol
trots schrijft de SV ook op de website dat „het aandeel dysplasie bij
onderzochte honden in het tijdbestek 1968 - 2005 is terug gebracht van 26% naar
6%“ Als leek lees je gewoon: HD komt bij 6% van de Duitse Herders voor. Dat is
echter een te mooi gegoochel met cijfers.
De analyse
van Jan toont aan dat dat wel leuk klinkt, maar dat de cijfers aantonen dat de
relatie met de uitslag van het individuele dier wel degelijk effect heeft op de
nakomelingen. De Zuchtwert is een hulpmiddeltje wat vooral leuk overkomt in de
PR van een rasvereniging. Het kan zwakke broeders en zusters binnen ons ras nog
duidelijker naar voren brengen.
Ook
de rol van milieu en de voeding het
analyseren van een hondenbrokje tot ver achter de komma wat betreft gehaltes
calcium en fosfor zijn wellicht zwakke uitvluchten die het echte probleem uit
de weg gaan. Mijn ervaring is dat de erfelijkheid van HD in deze moderne tijd
teveel wordt onderschat. Bijzaken worden hoofdzaken.
Het fokken met gezonde heupen en lage Zuchtwerte
levert de grootste kans op gezonde heupen dat is eigenlijk de essentie.
Wat mijn persoonlijke lessen
zijn uit het onderzoek van Jan is:
Van de totale populatie 65%
NIET ONDERZOCHT wordt.
Men niet weet hoeveel kapotte
honden, bij diagnose dierenarts op basis van foto niet ingestuurd wordt.
Men totaal geen zicht heeft op
de uitval bij het voorröntgenen op een leeftijd van een maand of zeven. De
meeste aktieve liefhebbers doen dit namelijk.
Dat de meerderheid van mensen
die laten röntgenen aktief zijn binnen de vereniging (sport, fokkerij) en deze
mensen dus ook kennis hebben over de rol van milieu en voeding (de overige
factoren).
Dat het percentage formeel dysplastich HD 4 en
slechter veel hoger moet zijn als in de data van de SV.
Dat het fokken met HD 1 de
minste kans geeft op HD 3 en slechter.
Wat moet je nu als liefhebber
met al die bevindingen? Om het simpel te maken laat ik het zo formuleren: Wat
willen wij niet.
Wat wij niet willen als
familiehond is een hond met ernstige HD, wat wij niet willen als fokker en
sporter is een hond met HD 3 of slechter. De meeste mensen zal het niet veel
uitmaken of hun hond HD 1 (normal) of HD 2 heeft (fast normal). Met dit
uitgangspunt heb ik nog eens naar de cijfers van Jan gekeken. Verder heb ik ook
zelf van 3000 Nederlandse honden hun heup uitslag gekoppeld aan de moeder.
In de volgende rijtjes heb ik
HD 1 en HD 2 bij elkaar opgeteld. Daar zal 90% van de liefhebber tevreden mee
zijn.
Wat we niet willen is HD 3 en
slechter. Deze uitslagen heb ik ook bij elkaar opgeteld en dan krijgen we het
volgende:
Studie Jan moeders van 1 fokker
(deel 1)
|
moeder |
Nakomeling met HD 1 en HD 2 |
Nakomeling met HD 3 en
slechter |
|
HD 1 |
85% |
15% |
|
HD 2 |
79% |
21% |
|
HD 3 |
75% |
25% |
Studie
Jan 200 moeders per kwalificatie (deel 2)
|
moeder |
Nakomeling met HD 1 en HD 2 |
Nakomeling met HD 3 en
slechter |
|
HD
1 |
86% |
14% |
|
HD
2 |
80% |
20% |
|
HD
3 |
79% |
21% |
Nederlandse
honden, hierbij moet gezegd worden dat men in Nederland kan kiezen voor beoordeling
in Duitsland of in Nederland. De Nederlandse Hirschfeld stichting was veel
minder toegeeflijk in het toekennen van de beste uitslag, HD min als de
Duitsers met hun a normal. Ik durf de stelling aan dat 80% van de Nederlandse
honden met HD TC zonder probleem in Duitsland a normal had gekregen. HD min is
dus van een andere orde als a normal. En HD TC mag niet vergeleken worden met a
fast normal.
|
moeder |
Nakomeling met HD 1 en HD 2 |
Nakomeling met HD 3 en
slechter |
|
HD
min |
79% |
21% |
|
HD
TC |
78% |
22% |
|
HD
plus min |
73% |
27% |
|
HD
noch zugelassen |
72% |
28% |
We
zien bij de Nederlandse moeders met HD min en HD TC minder effect tussen de
vererving op HD 1 en HD 2 als in Duitsland tussen moeders met HD 1 (normal) en HD
2 (fast normal). Dit heeft te maken met de strengere criteria van de Hirschfeld
stichting.
Wat
wel opvalt is dat in Nederland bij de onderzochte honden HD 3 en slechter al
rond de 20% zit bij de moeders met de beste heup uitslagen. Voor de duidelijkheid
moet nog wel vermeld worden dat bij zowel het onderzoek van Jan als mijn
onderzoek er geen rekening is gehouden met de HD uitslag van de vader. Er is
puur gekeken hoe vererft een moeder met een bepaalde uitslag.
Wat kunnen we nu uit deze
grove statistieken concluderen?
Dat
bij het fokken of kopen van een pup je met gebruik van een fokteef met
heupuitslag HD 1 al minimaal kans hebt dat de pup zelf later HD 3 of slechter
zal hebben van 15-20%
Dat
bij het fokken of kopen van een pup je met gebruik van een fokteef met
heupuitslag HD 3 al minimaal kans hebt dat de pup later zelf later HD 3 of
slechter zal hebben van 21-28%
Let
wel dit zijn percentages van onderzochte dieren! Calculeren we een x aantal honden in die na het maken van
röntgen foto’s NIET ingestuurd worden door de eigenaar komen we veel hoger uit
in het segment nakomelingen met HD 3 en slechter. De grote anonieme massa
honden van 65% van de populatie die totaal niet onderzocht worden is ook nog
een ernstige faktor om rekening mee te houden. We weten daar niets van. Hoe
hoog het werkelijke aantal honden met een heupstatus van HD 3 en slechter is
weet dus niemand. Ik denk dat de rasvereninging SV het liever ook niet WIL
weten!
Als
minder ingewijd lezer van deze materie en u nu de angst om het hart slaat wil
ik nog wel opmerken dat als bij een hond HD geconstateerd wordt vanaf status HD
3 u niet gelijk in paniek hoeft te raken. De klinische uitslag zegt niet altijd
alles over het welzijn van de hond. De ene hond met HD 4 heeft in de thuis
situatie weinig zichtbare (pijn)klachten. Terwijl de andere hond met HD 4
ondersteunende medicatie nodig heeft en specifieke beweging therapie.
Honden
met HD 3 kunnen in de praktijk nog alles doen ook aktief in sport zijn. HD 3 is
echter een norm waar wij vandaag mee zouden moeten stoppen te fokken ongeacht
de Zuchtwert van het dier.
Gerrit
Nagel
Duitseherders.com
13-10-2005
Op
mijn verzoek heeft mr. Peter van Oirschot ook het onderzoek gelezen. Hierbij
zijn reaktie:
Beste Gerrit,
Ik heb het onderzoek met veel interesse
gelezen. Voor mij staan de volgende feiten vast:
1. Allereerst de waarde van het S.V.
Genetics prgramma. Zonder dit programma zou immers dit onderzoek niet mogelijk
zijn geweest. Het toont de waarde aan van een internationaal databestand voor
alle Duitse Herdershonden.
2. De waarde van
fokwaardeschattingprogramma's in het algemeen. Lage fokwaarden zijn van belang.
Hoewel de beperkingen van het grote percentage -geen uitslagen bekend- de
waarde en betrouwbaarheid van de fokwaardebepaling aantasten. De
lage fokwaarden kunnen uitstekend gebruikt worden voor het zogenaamde
compenserend fokken.
3. Van zeer groot belang is de
zogenaamde Rontgendichte d.w.z. het percentage van directe nakomelingen waarvan
een officiele uitslag geregistreerd is. Hoe groter deze rontgendichte is, hoe
betrouwbaarder de fokwaarde. Naar mijn mening is de rontgendichte van zeer
grote waarde. Dit geeft tevens een indicatie fokwaardegegevens gekoppeld aan
een lage rontgendichte niet te OVERSCHATTEN.
4. De uitslag 3 =noch zugelassen
mag men niet onderschatten. Omdat de praktijk leert dat deze honden in het
algemeen zonder ongemak en hinder door het leven kunnen en actief de
sport kunnen beoefenen.
5. Niet meegenomen in het
onderzoek zijn de gevolgen van inteelt en lijnenteelt. Met name indien
ingeteeld wordt op honden met relatief hoge fokwaarden. Of op stamlijnen
(lijnenteelt) met relatief hoge fokwaarden. Dit kan zowel een gunstig als
ongunstig effect hebben gelet op HD-uitslagen en fokwaarden.
6. Men spitst zich toe op een kenmerk
-HD-. In de fokkerij -ook v.w.b. gezondheid- zijn er naast HD meerdere
belangrijke kenmerken. Het kan voor de genenpool van de populatie bedreigend
zijn om slechts aan een enkel kenmerk een te grote prioriteit te geven. Dit is
in mijn ogen het geval als men zich uitsluitend beperkt tot de uitslag 1
= A of Normal ofwel een te grote eenzijdige selectiedruk toepast.
Een algemene vraag is naar mijn mening
ook de waarde achter het laten rontgen van alle klinisch gezonde dieren. Iedere
hond die klachtenvrij is, is klinisch gezond. Men zou er niet aan moeten denken
als in de humane geneeskunde alle gezonde mensen zonder klachten zich medisch
zouden moeten laten onderzoeken. Dit zou de gezondheidszorg onbetaalbaar maken.
Indien -utopisch gezien- alle honden die bij een dierenarts vanwege KLACHTEN en
daarop volgend onderzoek als ZIEK = dysplastisch VERPLICHT zouden worden
geregistreerd dan zouden de ZIEKEN ons veel meer betrouwbare gegevens kunnnen
verschaffen. Het verplicht onderzoeken
van alle klinisch gezonde honden
zou niet meer nodig zijn. De gegevens van de ZIEKEN zouden de families van
lijders ontmaskeren en maatwerk zou mogelijk zijn. Een verplicht onderzoek zou
dan kunnen volgen voor verdachte lijnen met gekoppeld strenge criteria of zelfs
elimineren van families. Zie hierover ook de dissertatie
Dr.Ubbink. Dierenartsen wijzen een VERPLICHTE
REGISTRATIE overigens af vanwege schending van de privacy.Als
argument wordt ook gebruikt dat dit uitsluitend zou kunnen in
een dictatuur.
Het onderzoek toont aan dat de uitslag
HD 1 ofwel normal significant betere resultaten geeft bij nakomelingen. Nog van
groter
belang is de conclusie dat uitslag 1en 2
ofwel normal en fast normal samen slechts bij ruim 30% van de nakomelingen
vastgesteld wordt vanwege de geringe ."rontgendichte". Dit zou in een
praktijkgeval betekenen dat als een teef een nest heeft van zes pups en er
vier een officiele uitslag hebben met b.v. 1 normal; 2 fast normal; 1 noch
zugelassen d.w.z. Rontgendichte: 66,66% Van de vier beoordeelde
honden: 1 = 25% 2 = 50 % 3 = 25% 4 = 0% 5= 0% ofwel 3 honden normal
en fast normal = 50% aanmerkelijker gunstiger is dan het in eerste instantie
lijkt.Dit gelet op de percentages uit het onderzoek. Het toont het belang aan
van het totaal aantal uitslagen. Vergelijk dit met een nest van 8 pups waarvan
twee uitslagen met a=normal met dus een rontgendichte van slechts 25%. Hoewel
van dit laatste nest
de uitslag zou luiden: 1 = 100%
Zou in bovengenoemd voorbeeld de eerste fokteef a-fast normal hebben en de
tweede fokteef a-normal dan zou men toch de voorkeur kunnen geven aan de
fokteef met vier gerontgende nakomelingen en de grotere rontgendichte gelet op
betrouwbaarheid.
De volgende situatie kan voor
verrassingen zorgen de combinatie reu x teef geeft de volgende inteelt 3,3,4-
4,4,3 op een voorouder met lage fokwaarde, grote rontgendichte en a-normal Met
dezelfde fokteef wordt nu een andere combinatie gedaan op een andere voorouder
eveneens 4,4,3 - 2,4,5. Deze voorouder heeft a-noch zugelassen,
grote rontgendichte en een fokwaarde
boven de 100. Het lijkt interessant de invloed van dergelijke fokkerijen
op de uitslagen van nakomenlingen statistisch te onderzoeken. In feite gebeurt
dit via fokwaarde. In het algemeen onderschatten de fokkers de invloed van
dergelijke inteelt of lijnenteelt omdat deze honden uit eerdere generaties niet
meer "in beeld zijn" of juist overgewaardeerd worden op basis van
andere kenmerken.
Samenvattend een fokker moet zeer
kritisch zijn op de gegevens van alle nakomelingen. Van groot belang is het
percentage "lijders". Hiermee bedoel ik op de eerste plaats de zieke
honden. Niet de rontgenfoto bepaalt of de hond "ziek" is maar zijn
klinische beeld. De ervaring leert dat de groep 4 "mitteler" maar
vooral 5 "schwer"
de ZIEKE honden (letterlijk
LIJDERS) oplevert. De conclusie uit het onderzoek dat strengere
criteria wellicht eerder de foute genen uit de populatie zal verwijderen lijkt
mij juist te zijn. Echter, zal een dergelijke eenzijdige selectiedruk ook
ongewenste negatieve effecten opleveren voor andere kenmerken waarop men moet
selecteren. Zeker nu ED een even groot probleem lijkt te zijn of dreigt te
worden als HD. VAN GROOT BELANG IS OOK DAT DE GENETISCHE IDENTITEIT VAN DE
FOKDIEREN VIA DNA ONOMSTREDEN VASTSTAAT. De intelligente fokker staan
fokmethoden ter beschikking om zo breed mogelijk te selecteren op een groot
aantal gewenste kenmerken opdat een zo goed mogelijk rasexemplaar wordt gefokt.
Een jongleur kan makkelijk een bal opgooien en vangen. Het wordt moeilijker als
men hem acht ballen geeft. Dan pas wordt de jongleur een artiest.
Peter van Oirschot.
Lees alle delen:
DEEL 1
DEEL 2
DEEL 3
DEEL 4
|
Ga terug naar
Artikel index |
|
G.Nagel: www.duitseherders.com |