Onderzoek naar het
effect op de nakomelingen op de faktor HD gerelateerd naar de heup uitslag van
de moeder.
Intro:
Bij
elke studie hoort een opdracht. In dit deel heb ik onderzocht of er duidelijke
verschillen optreden bij de uitslag van de nakomelingen als men alleen met
moeders met HD 1 (normal) zou fokken.
Ik
heb een onderzoek gedaan en de moeders gesplitst op hun individuele heup
uitslag, HD 1 (normal), HD 2 (fast normal) of HD 3 (noch zugelassen). Wat zal
het resultaat zijn? Zullen er duidelijke verschillen zijn? Zal bij het gebruik
van uitsluitend HD 1 moeders een hoger percentage van de nakomelingen perfekte
heupen hebben?
Het
antwoord:
Bij
gebruik in de fokkerij van uitsluitend fokteven met perfekte heupen (HD 1) zijn verbeteringen in
eerste generatie en op langere termijn duidelijk haalbaar en kan men het gebrek
heupdysplasie bij nakomelingen verder terug dringen.
Voor
het onderzoek zijn fokteven gebruikt die minstens vier nesten hebben gehad. Ze
hebben dus een duidelijke rol gespeeld binnen de fokkerij. Daardoor zijn het
vaak „belangrijke“ fokteven van aktieve grotere en bekende fokkers. Eigenlijk
vertegenwoordigen deze fokteven een „fok elite“ gezien hun inzet. De teven zijn
willekeurig geselecteerd op mijn kriteria en vertegenwoordigen een
representatieve doorsnee van het Duitse fokteven bestand en de totale Duitse
populatie Duitse Herders.
De
fokteven
Zoals gezegd heb ik slechts teven opgenomen in mijn
onderzoek die minimaal vier nesten hebben geworpen. Per HD categorie (HD 1, HD
2, HD 3) heb ik de nakomelingen bekeken van 200 moeders. Het totaal van de
nakomelingen van de drie groepen bedraagt: 15.669 honden. Gefokt door dus 600
moeders, in 3.321 nesten. Dat geeft een gemiddelde nestgrootte van 4.7 pups en
26.1 pups per moeder. Deze fokteven werpen gemiddeld 5.5 nesten in hun
leven.
5.258 nakomelingen van de
15.669 in totaal werden geröntgend, dat is 33,56 %
Dit
komt geheel overeen met de cijfers uit de voorgaande delen: 33,87 % van alle
teven.
Van
66.44 % is geen HD uitslag bekend, 66,13 was het gemiddelde.
Die
HD-uitslag „1“ = „normal“ kregen gemiddeld: 56,92% van de geröntgende
nakomelingen.
Die
HD-uitslag „6“ = „Ausland“ kregen gemiddeld: 1,08 % van de geröntgende
nakomelingen.
Dat
betekend dat precies 58% van de onderzochte nakomelingen de beste uitslag
kregen. Maar dat de moeders ruim ingezet voor de fokkerij ook 42% dysplastische
nakomelingen brengen. HD 1 moeders: 36,39%, HD 2 moeders: 44,83%, HD 3 moeders:
45,69%.
Verdeling
naar HD status van de moeder:
HD
1 moeders:
Goede heupen (HD 1 en HD 6) hebben: 63.81 + 0.81 =
64.62% van de nakomelingen.
Dysplastisch zijn (HD 2, HD 3, HD 4, HD 5): 22.44 +
8,98 + 3,22 + 0,75 = 35,39% van de nakomelingen.
HD 2 moeders:
Goede
heupen (HD 1 en HD 6) hebben: 53,60 + 1,57 = 55,17% van de nakomelingen.
Dysplastisch
zijn (HD 2, HD 3, HD 4, HD 5): 26,10 + 12,99 + 4,84 + 0,90 = 44,83% van de nakomelingen.
HD 3 moeders:
Goede
heupen (HD 1 en HD 6) hebben: 53,44 + 0,86 = 54,30 % van de nakomelingen.
Dysplastisch
zijn (HD 2, HD 3, HD 4, HD 5): 25,66 + 13,78 + 5,45 + 0,80 = 45,69% van de nakomelingen.
Commentaar:
Het verschil
tussen het gebruik van HD 1 teven en HD 2 teven in de fokkerij is bijzonder
groot en zou tot nadenken en handelen moeten leiden. Het aandeel van
dysplastische nakomelingen stijgt bij het gebruik van HD 2 teven van 35,39%
naar het alarmerende getal van 44,83%. Dat is maar liefst een verschil van
9,44%.
Het zou zeker
aktie tot gevolg moeten hebben door de grootste rasvereniging ter wereld om
zijn foknormen hierop af te stemmen. Het roept vraagtekens op waarom de
rasvereniging zelf al niet deze gegevens heeft gebruikt in het beleid en in de
voorlichting naar haar leden en fokkers. De vereniging verzamelt al decennia
alle uitslagen betreffende HD en kan toch zelf ook een analyse maken van haar
bergen data.
Dat
er weinig verschil is bij de nakomelingen van HD 2 en HD 3 moeders (lichte
afname voor HD 2 en geringe steiging voor HD 3 en HD 4 uitslagen), minder als 1
% is opvallend. Bij het identieke onderzoek naar HD uitslagen van een enkele
fokker (zie deel 1) gaf het hier nog duidelijke verschillen.
De
oorzaak kan zijn dat het voor de nakomelingen niets uitmaakt of de moeder
slechts gering met HD belast is (HD 2 fast normal), of reeds duidelijker belast
is (HD 3 noch zugelassen). In de zin van: „slechte
heupen, zijn slechte heupen! En dat wordt vererfd“. Wetenschappelijk gezien bestaat er niet
zoiets als: "een BEETJE heupdysplasie hebben". Je hebt een vorm van
HD en bent dus ziek, of je hebt geen HD en dan ben je gezond."
De
statistiek
|
HD-uitslag: |
Aantal moeders |
pups |
nesten |
Geröntgt |
HD-1 |
HD-2 |
HD-3 |
HD-4 |
HD-5 |
HD-6 |
|
Moeder
met HD-1 |
200 |
5272 |
1103 |
1738 |
1109 |
390 |
156 |
56 |
13 |
14 |
|
Aandeel
geröntg. |
|
Æ26,36 |
Æ5,52 |
32,97% |
63,81% |
22,44% |
8,98% |
3,22% |
0,75% |
0,81% |
|
Aandeel totaal |
|
|
|
|
21,04% |
7,40% |
2,96% |
1,06% |
0,25% |
0,27% |
|
Moeder
met HD-2 |
200 |
5343 |
1144 |
1778 |
953 |
464 |
231 |
86 |
16 |
28 |
|
Aandeel
geröntg. |
|
Æ26,72 |
Æ5,72 |
33,28% |
53,60% |
26,10% |
12,99% |
4,84% |
0,90% |
1,57% |
|
Aandeel
totaal |
|
|
|
|
17,84% |
8,68% |
4,32% |
1,61% |
0,30% |
0,52% |
|
Moeder
met HD-3 |
200 |
5054 |
1074 |
1742 |
931 |
447 |
240 |
95 |
14 |
15 |
|
Aandeel
geröntg. |
|
Æ25,27 |
Æ5,37 |
34,47% |
53,44% |
25,66% |
13,78% |
5,45% |
0,80% |
0,86% |
|
Aandeel
totaal |
|
|
|
|
18,42% |
8,84% |
4,75% |
1,88% |
0,28% |
0,30% |
Aanbevelingen
Het
overzicht toont helder aan dat al bij het gebruik van HD 2 moeders de
vatbaarheid voor heupdysplasie toeneemt, met niet minder dan 10%.
Dat
zou genoeg reden moeten zijn om met deze moeders niet meer te fokken, zowel uit
wetenschappelijk als uit oogpunt van ethiek. Er wordt in deze analyse duidelijk
bewezen dat HD 2 moeders de ziekte verder doorgeven. Zonder het uitsluiten van
deze reeds belaste moeders zal men heupdysplasie nooit kunnen indammen of
kunnen terug dringen.
De
erkenning van in principe zieke belaste dieren met de officiële en
bedriegelijke definitie „fast normal“ is een slechte zaak. Deze dieren zijn
immers door een specialistisch dierenarts gekenmerkt als niet HD vrij oftewel
er is al een vorm van het gebrek aanwezig, en derhalve niet 100% gezond en in
orde.
In
dit verband is er ook wat te zeggen voor de theorie dat de HD 1 moeders ondanks
dat ze zelf de uitslag HD 1 hebben gekregen, er toch ook een deel van deze
dieren vermoedelijk al belast is binnen en door hun eigen familie. Door de HD
uitslagen van haar nestgenoten, ooms en tantes, zou men op basis van slechte uitslagen van deze
familieleden een moeder uit bepaalde lijnen al uit moeten sluiten voor de
fokkerij.
Door
het uitsluiten van de HD 2 en HD 3 moeders kunnen we zoals aangetoond al een
verbetering krijgen van 10% op HD 1 in de eerste generatie. Het ligt dan ook in
de lijn der verwachting dat als men enkele generaties fokt met uitsluitend HD 1
ouders (ouders met perfekte heupen), het gebrek heupdysplasie aanmerkelijk kan
worden terug gebracht. Ik wil ook nog vermelden dat het fokken met zieke dieren
bij de wet verboden is. De definitie van ziek is echter te troebel, duidelijk
is: alleen HD 1 is niet ziek!
Mijn
onderzoek toont nogmaals aan dat moeders met goede heupen (HD 1) een veel hoger
percentage gezonde nakomelingen brengen met HD 1 (normal) van 63,81%. Feit
blijft ook dat ongeveer 35% nog steeds dysplastisch is en dit smeekt om
strengere foknormen.
Met
vriendelijke groet,
September
2005
Jan
Demeyere
8570
Vichte
België
E
mail: j.demeyere@skynet.be
Lees alle delen:
DEEL 1
DEEL 2
DEEL 3
DEEL 4
Originele MS Word
bestanden in het Duits:
deel 1
deel 2
deel 3
English version by dr. Fred Lanting.
|
Ga terug naar
Artikel index |
|
G.Nagel: www.duitseherders.com |